Vandaag begint een reeks hevige ruzies tussen Jezus, omringd door zijn leerlingen, en de religieuze leiders van de joden.
Jezus heeft Galilea verlaten en is naar Jeruzalem getrokken waar het einddrama zich zal afspelen. Zijn reis heeft Hem over de Jordaan geleid, in de streek waar alles begonnen was, de strijd in de woestijn, het doopsel van Johannes, de eerste moeilijkheden met de autoriteiten.
Nu is Hij triomfantelijk Jeruzalem binnengetrokken. Hij heeft zich kwaad gemaakt in de tempel en de kopers en verkopers het tempelplein afgejaagd. De hogepriesters en schriftgeleerden zijn razend omdat de kinderen in de tempel blijven roepen: Hosanna Zoon van David! Dit is op zich de moeite waard om de spanning van het moment te meten. Bij de intocht in Jeruzalem hadden de mensen: Hosanna Zoon van David!, gejubeld. De kinderen liepen mee tot in de tempel. Daar zetten zij het feest verder. Zonder goed te weten wat ze doen en zonder te begrijpen wat ze roepen, trotseren ze de autoriteiten, joden en Romeinen. Ze voelen dat Jezus de man is. Het is feest voor de kinderen en voor hen die zijn zoals zij. Toch is niet Jezus de rattenvanger van Hamelen. Hij verleidt Israëls kinderen niet met een toverlied. Hij zingt Jesaja’s lied van Gods wijngaard. Het zijn de anderen die de kinderen doen zwijgen. De stenen van de tempel spreken er nog altijd over.
Jezus geeft een les aan de voornaamste priesters en aan enkelen van de groep leken die over de traditie waakten en die op gezag stonden, die in voorname zaken in de Hoge Raad een stem hadden, de ‘oudsten’, zoals het Evangelie zegt. De ‘oudsten’ kenden de mondelinge traditie en worden soms genoemd samen met de schriftgeleerden, of wetgeleerden, die Mozes grondig bestudeerden.
Ze hadden Hem gevraagd op welk gezag Hij optrad. Hij had hen geantwoord dat ze eerst moesten zeggen op welk gezag Johannes de Doper opgetreden was. Kwam zijn gezag ‘van de hemel, of van de mensen’? De voorname priesters met de hun verwante superleken hadden Johannes geen vertrouwen geschonken, want ze wilden hun posities en hun gezag behouden. Omdat ze Jezus geen antwoord gaven, antwoordde die ook niet op hun vraag naar zijn gezag. Wie het kennelijk gezag van Johannes niet erkende, zou ook Jezus’ gezag niet erkennen. Het was nutteloos hun een antwoord te geven. Het gezag van Jezus, zoals dat van Johannes, sprak uit zijn leer en uit zijn werken, maar hier was een bende priesters en leken die van geen enkele profeet het gezag zou erkennen.
Aan religieuze verantwoordelijken die meer pastoor en leek spelen dan dat ze priester en mens zijn stelt Jezus altijd zelf een wedervraag. Laat ze eerst kleur bekennen tegenover Johannes. Maar ze willen zich niet bekeren, niet op Johannes’ woord, niet op Jezus’ woord, niet op het woord van welke profeet dan ook, want elke profeet spreekt in Gods Naam en ze geven de voorkeur aan hun eigen naam; het woord van de profeten ontmaskert hen, hun eigen woord houdt hun establishment recht. Jezus profeteert hun klaar en duidelijk hun toekomst: ‘Voorwaar, Ik zeg u: de tollenaars en de prostituees gaan eerder dan gij het Rijk Gods binnen’.
Dit is een uitspraak over het Rijk waarin God na dit leven de eerlijke mens opneemt, hij die zijn fouten erkent, en die, zoals volks gezegd wordt, zijn best doet. Zijn fouten erkennen en zijn best doen heet in het Evangelie zich bekeren, op het woord van een profeet. Want in zulk woord is het God die spreekt.
Zulk woord is het dat allen begrijpen, ook de tollenaars die werken voor de Romeinen en die, daardoor ‘onrein’, uitgesloten zijn, ook de prostituees, die natuurlijk ‘onrein’, meestal een miserabele oplossing vonden om niet helemaal ten onder te gaan. God zal zich eerder over hen erbarmen dan over de deftige priesters en leken die ‘s nachts ver van God leven, en overdag ver van tollenaars en prostituees. Zoals de eerste zoon zeggen ze ja aan hun Vader, maar zijn wil doen ze niet. Ze zeggen ja voor de schijn, maar ze veranderen niets aan hun leven. Ze hebben de mond vol over religieuze zaken, maar God en de mensen blijven buiten hun leven.