Van christenen, gelovige mensen, mag worden verwacht dat ze zich aan hun woord houden. Ze moeten zich voor God en de mensen niet mooier voordoen dan ze zijn. Geen ‘ja’ zeggen als ze nee’ denken. Dan kun je beter ‘nee’ zeggen en later, tot inzicht gekomen, het toch doen. ‘Uw ‘ja’ moet ‘ja’, en uw ‘nee’ moet ‘nee’ zijn’, leert Jezus ons.
Over die Jezus schrijft Paulus aan de christenen van Filippi, dat Hij trouw is gebleven aan zijn levensopdracht. Hij heeft ‘ja’ gezegd tegen God en dat is Hij blijven zeggen tot aan zijn dood, Hij heeft geen eigen belang gezocht, geen naam of historie willen maken. De mensen en God konden van Hem op aan. ‘En daarom’, zegt Paulus, ‘heeft God Hem hoogverheven…'.
Een kindervers zegt eenvoudiger wat Paulus moeilijker verwoordt:
Hij die was aan God gelijk, raakte kwijt zijn majesteit.
Hij die was gelijk aan God, heeft gezegd: ik word een knecht.
Mens geworden gaf hij zich weg als brood tot in de dood,
daarom juist heeft God gezegd: kom maar jij en leef bij mij.
Van Jezus kon je op aan. Zijn ‘ja’ tegenover God en mensen was een echt ‘ja’ en geen ‘ja’ voor even of voor de buitenwacht. Want dat trof Jezus veel aan: geloven voor de schone schijn, mooi weer gelovigen’, mooipraters, die ‘ja’ zeiden, maar ’nee’ deden. Al die mensen van toen en thans die zo doen, geeft Hij voor vijf centen mee. Die heulen met de Romeinse bezetter, de tollenaars en de vrouwen van de straat staan dichter bij God - durft Hij beweren - dan de leiders van de tempel, de priesters en vooraanstaande gelovigen. Die hebben ‘ja’ gezegd tegen de godsdienst, maar hun hart zegt ‘nee'.
En die anderen, die een slechte naam hebben en die aanvankelijk ‘nee’ zeiden, hebben geluisterd naar Johannes en naar mij. Ze zeiden ’nee’, maar deden ‘ja’. En dat is beter dan andersom. In de hemel, vertelde Jezus een andere keer, zal er meer vreugde zijn over één zondaar die zich bekeert dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben.
Dik tevreden zijn over jezelf als gelovige is een groot gevaar. Het leidt tot zelfgenoegzaamheid en arrogantie. En hoe hoger je klimt in kerk of maatschappij, hoe groter het gevaar dat je denkt het allemaal goed te doen. Want hoe hoger je komt, hoe meer jaknikkers je omgeven. Maar zeer weinigen zeggen tegen hogergeplaatsten eerlijk wat ze zeggen en vinden. Ze houden zich gedeisd, bewaren hun fatsoen, want die boven hun staan kunnen ze nog wel eens nodig hebben. In zo’n situatie zeggen we allemaal wel eens ‘ja’ als we ‘nee’ bedoelen of andersom.
Wie in gezag gesteld zijn in onze samenleving, maar evengoed in onze kerk, lijken ertoe veroordeeld voor de gek gehouden te worden. Een missionaris, een boerenzoon, werd bisschop tijdens zijn vakantie hier. Toen zijn vader hem op Schiphol uitgeleide deed, zei hij: ‘Jongen, alle goeds daar; ge bent als missionaris vertrokken en ge komt er terug als bisschop; bedenk dat ze nooit meer zo eerlijk zullen zijn als vroeger'.
In de lezingen van vandaag valt hetzelfde te beluisteren: Wie het gezag echt respecteert is eerlijk en zegt ‘ja’ als het ‘ja’ en ‘nee’ als het ‘nee’ is. En wie het gezag uitoefent mag zich niet laten verblinden door zogenaamde eerbied of applaus. Zeker de gelovige gezagsdragers in onze kerk, van pastor tot paus, moeten zich de houding van Jezus eigen zien te maken: ‘Hij heeft zichzelf ontledigd, het bestaan van een slaaf op zich genomen. Hij, die bestond in goddelijke majesteit, is aan de mensen gelijk geworden en heeft zich vernederd tot de dood op het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven'