Het valt op hoe graag Jezus vertelt over een wijngaard en hoe dikwijls Hij de wijngaard vergelijkt met het rijk Gods.
Een wijngaard was voor de jood van zijn tijd dan ook geen gewone akker met druiventeelt. Het was een kostbaar familiebezit dat gekoesterd werd met de grootste zorg, een teken van welstand: zonder dat, geen wijn. Het was ook een teken van vrede want in een oorlog werden de wijngaarden het eerst vernietigd.
In de parabel gaat het over de wijngaard van de Heer. Het is de aarde, de wereld, de gemeenschap van mensen. Werken in de wijngaard is dat menselijk avontuur dat wij beschaving noemen.
“Mijn zoon, ga vandaag werken in mijn wijngaard.” Een uitnodiging om mee te bouwen aan menselijk geluk, vandaag nog wel. Werken in de wijngaard is niet spectaculair: mest aanvoeren, snoeien, druiventrossen uitdunnen allemaal kleine eenvoudige taken die zich onopvallend afspelen.
Zie ons al bezig in de wijngaard in de dagelijkse taak in het gezin en op het werk, heel alledaags en onopvallend: de zorg voor het geluk van elkander. God nodigt uit maar laat ons los, we kunnen er mee doen wat we willen.
We zien alleen die kleine taken. We zijn en blijven bekrompen wezens. We kunnen zo moeilijk vermoeden dat het menselijk avontuur nauwelijks begonnen is. De mensheid is nog in een stadium van vruchtbeginsel. De mens moet nog geboren worden. We kijken ons blind op zijn onvolkomenheid en durven niet geloven in het visioen waarheen we op weg zijn.
Als tiener - maar het woord bestond toen nog niet - liepen wij op met de tekst van Henriette Roland Holst - Van der Schalck.:
“Ik zal de halmen niet meer zien,
noch binden ooit de volle schoven,
maar doe mij in de oogst geloven
waarvoor ik dien.”
Woorden die het vandaag niet meer doen. Het is de armoede van deze tijd dat men al wil oogsten nog voor er gezaaid, zelfs nog voor dat de grond bewerkt is.
Het is als met die middeleeuwse steenkappers. “Wat doet gij?” werd hen gevraagd. En de eerste antwoordde: “ik kap stenen.” Maar de andere antwoordde: “ik werk aan een kathedraal”. Zij deden hetzelfde werk maar wat een verschil in arbeidsvreugde.
Zouden wij ons ook eens niet bezinnen over de vraag: waar zijn we mee bezig? Als we dan tot het inzicht komen dat wij werken in de wijngaard van de Heer, dat wij mee bouwen aan een droom van God, dan zullen we daaruit de kracht putten om na al de keren dat we ‘neen’ gezegd hebben, en na al onze dwarse twijfels ons toch volop te geven aan de onopvallende taak van elke dag.