Waar het bij Jezus op aankomt

A-cyclus · Tijd door het jaar · 26e zondag · groen

Deze korte parabel van Jezus is gemakkelijk te begrijpen vanuit de situatie waarin Jezus verkeerde. Hij had van hen die zich als religieuze mensen beschouwden, bittere ontgoochelingen moeten ondervinden en met hen, die zichzelf als zondaars beschouwden, had hij wonderbare verrassingen beleefd. Denken wij maar aan die Samaritaanse melaatse, aan die zondares die zijn voeten zalfde, aan de honderdman en aan Zacheüs. De religieuze elite van zijn tijd, die scrupuleus de wet onderhield, verwierp zijn boodschap van liefde en barmhartigheid. De religieuze marginalen echter stonden open voor de nieuwheid van zijn boodschap. De rechtvaardigen zeiden ‘ja’ tot de wet, maar ‘neen’ op de boodschap van Jezus. De anderen, die het schijnbaar niet zo nauw namen met de wet, zeiden ‘ja’ op zijn boodschap van liefde en vergeving.

De situatie is schijnbaar nog niet zoveel veranderd. Wij kennen allemaal zeer ijverige christenen die met enthousiasme de dogma’s verdedigen, die trouw blijven aan eerbiedwaardige tradities en lofwaardige godsdienstige praktijken. Maar we zien dat ze zich schijnbaar weinig inzetten voor vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping, dat ze vaak zeer liefdeloos kunnen zijn tegenover hun geloofsgenoten en niet ophouden iedereen die niet denkt zoals zij, verdacht te maken. Daarentegen ontmoeten wij vaak mensen die niet zo erg volgzaam zijn tegenover het beleid van de kerkelijke overheid, maar die zich op een bewonderenswaardige manier inzetten voor de marginalen en zich weren tegen elk onrecht in onze maatschappij.

Voordat wij nu conclusies trekken moeten wij eerst onszelf waarschuwen dat wij de mensen niet te vlug indelen in ja-zeggers en nee-doeners. Zo scherplijnig is deze indeling in werkelijkheid niet mogelijk. Niemand van ons heeft het recht de mensen te klasseren in wetsgetrouwen, zondaars, farizeeërs en ongelovigen. Jezus wil ieder van ons, aan welke kant wij ook staan, oproepen tot bekering om steeds weer het ‘ja’ van de wet en het ‘neen’ aan de cultus en traditie voortdurend te toetsen aan onze daden in het werkelijk leven.

Kijken wij in ons eigen hart. Hoe dikwijls hebben wij plechtig ‘ja’ gezegd en dat ja-woord toch niet ten volle waar gemaakt? Het ja-woord van ons vormsel, van ons huwelijk? Hoe dikwijls zeggen wij tijdens de eucharistie ‘ja’ en ‘amen’ op het woord van de Heer? Hoe dikwijls hebben wij ‘ja’ gezegd en ‘neen’ gedaan? Het evangelie zegt het heel treffend: de oudste zoon zei: ‘ja, vader’ en ging niet. Ligt eigenlijk in dat kleine korte woord niet heel de malaise van ons hedendaags christendom?

Maar naast deze treurige ja-zeggers zijn er in onze Kerk nog altijd veel mensen die vreugdevol ‘ja’ zeggen op het evangelie van de Heer en dat woord in daden van liefde en verdraagzaamheid omzetten. De christelijke inzet in de strijd tegen de honger en de ongerechtigheid in de wereld is een teken van hoop.

Als een teken van hoop mogen wij toch die tweede zoon niet vergeten. Hij zegt eerst koppig ‘neen’ en doet dan toch wat van hem gevraagd wordt. Er bestaat nog altijd een wonder van bekering. Zo was het ten tijde van Jezus. Denk maar aan Zacheüs die zijn onrecht goed maakt, aan Maria Magdalena die veel vergeven wordt omdat ze veel liefde bewijst. Jezus verheugt zich over elke mens die, nadat hij ‘neen’ gezegd heeft toch Gods wil gaat vervullen. Misschien betekent zulke bekering voor God meer dan het ‘ja’ zeggen zonder te bedenken en te beseffen wat dat ‘ja’ inhoudt. Wij hebben allemaal bekering nodig, niet alleen de neen-zeggers, maar ook de ja-zeggers.

Zoeken in Preken Online