26e Zondag A (2005)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 26e zondag · groen

Misschien dat er onder de regelmatige kerkgangers en kerkgangsters hier zijn die zeggen: Nú weet ik het wel - met die Job. Bij die mensen (die dat zeggen), daar hoor ík niet bij veelgeliefden. Integendeel! Ik vind het heel goed dat wij Job zo uitgebreid aan het woord laten, zondag aan zondag; dat we hem helemaal uít laten spreken … Kom daar eens om tegenwoordig … op mensen die je helemaal uit laten spreken … “Het leven op aarde is in een versnelling gekomen” zei een monnik van de kloostergemeenschap op de Mont Saint-Michel in Normandië waar ik ruim een week geleden met een groep van hier was. Zo is het: de gebeurtenissen en ontwikkelingen buitelen over elkaar heen. Wie kan het nog bijhouden? Snapt U het nieuwe zorgstelsel? En heeft U de toeslag al aangevraagd? - Gemakkelijk, mensen, kun je je een verloren en eenzame ziel gaan voelen als je het gevoel krijgt: het is mij allemaal veel te ingewikkeld en het gaat mij allemaal veel te snel … Wie heeft daar aandacht voor? Wie heeft er echt aandacht voor Job? Wie luistert er ècht naar zijn verhaal? Wie luistert er echt naar Úw verhaal? - Zeg niet te snel: nu weet ik het wel … Juist wie dat zegt, juist díe heeft tot nu toe nog niet goed geluisterd misschien …

“Aanstormend in een woeste golf slaan ze een brede bres in mij.” Waarin? In wie? Onwillekeurig denk je bij die woorden in deze dagen aan Rita, de opvolgster van Katrina. Opnieuw zijn de mensen in het zuiden van de Verenigde Staten getroffen. Ongelukkig New Orleans. “Hij rukt met geweld aan mijn kleed, omklemt mij met de kraag van mijn mantel.” Job voelt zich als in een wurggreep. En vele mensen die voor hun gevoel geen kant ópkunnen, de armen van New Orleans bijvoorbeeld, die zullen zich herkennen in Job’s woorden … Luisteren wij naar hun verhaal. Laten we minstens proberen om naar hen te luisteren en zo een beetje bíj hen te blijven, hen er niet alleen mee te laten. Er zijn zo van die uitzichtloze, van die op ’t oog hopeloze situaties … Van de week heb ik geluisterd naar een paar mensen uit Azerbeidzjan, een moeder met drie kinderen, geloofsgenoten van ons. Ze zijn al vier jaar hier, maar hebben hier geen poot om op te staan, hartstikke illegaal - en het ziet er niet naar uit dat daar zo één-twee-drie verandering in kan komen … Geen rechten, nauwelijks centen, helemaal afhankelijk van de genade van God en van de mensen. Maar een zieleadel mensen! Diep respect moet je er voor hebben dat de mensen in kwestie er toch zo prachtig uitzien en zo fier het hoofd omhoog weten te houden en zoveel geloof en hoop en liefde uitstralen … Maar wat moeten ze doen? Hier blijven? Is dat niet uitzichtloos? Zouden ze dan moeten terugkeren naar Azerbeidzjan? Dan wordt ’t voor hen misschien nog wel uitzichtlozer … Want ze zijn daar natuurlijk niet voor niets weggegaan … De oude paus is er geweest. In 2002 bezocht hij Azerbeidzjan waar maar tweehonderd katholieken wonen. Geweldig dat hij ook díe op zijn oude dag nog wilde bemoedigen …De president van het land bood bij de gelegenheid aan de paus een stuk grond aan om een nieuwe kerk te bouwen. De laatste kerk werd in 1950 door Stalin met de grond gelijk gemaakt. Dus misschien toch een nieuw begin voor onze geloofsgenoten in Azerbeidzjan?

Ik hoor U al zuchten veelgeliefden. Moeten we ons daar nu ook nog mee bezighouden? Met Azerbeidzjan? Hebben we al niet genoeg op ons eigen bordje liggen? Zucht, steun … net als die eerste zoon in het evangelie van deze zondag. Hoe goed herkennen wij zijn tegenzin, zijn traagheid en luiheid om gehoor te geven aan wat zijn vader hem vraagt. Hij krijgt de wijngaard op zijn bordje zoals ik zoëven op het Uwe dat “Azerbeidzjan” heb neergelegd. En ik heb dat, veelgeliefden, voor mijn gevoel níet eigener beweging gedaan … Nee, veelgeliefden, ik heb dat gedaan omdat het mij voor mijn gevoel “werd aangereikt”. Het is voor mijn gevoel God zelf die ons met deze mensen en met hun situatie confronteert om daar op in te gaan, om daar op de één of andere manier iets mee te doen; om de mensen niet aan hun lot over te laten maar om (hoe dan ook) áchter en náást hen te blijven staan - al kunnen wij natuurlijk niet hun eigen verantwoordelijkheid voor hun leven vanèèè hen overnemen …

Lastig hè …? God is Vader en Hij vráágt iets van ons. God spréékt. De vragen die Hij ons stelt komen op ons af ín en vanuit de Heilige Schrift zoals die verkondigd wordt ook door de bedienaren van de Kerk maar niet alléén door hen. God’s vragen komen op ons af in mensen. En ze wellen op, die vragen, gelijktijdig, in ons eigen hart en hoofd. En dan kun je twee dingen doen, veelgeliefden, heel eenvoudig: je kunt die vragen op de één of andere manier oppakken, er iets mee trachten te doen, of je kunt wel naar de kerk komen, maar intussen de echte vragen waar het om gaat laten liggen …

Op onze tocht door Normandië werd onze kleine kudde begeleid door Thérèse Martin, beter bekend als de heilige Theresia van het Kindje Jezus, de heilige Theresia van Lisieux. Op haar vijftiende ingetreden in het karmel-klooster aldaar en ze kwam daar niet meer uit voordat ze op haar vierentwintigste aan de vliegende tering stierf - na een afschuwelijk ziekbed. Maar vierentwintig jaar oud geworden dus, maar in 1997 werd ze wèl door paus Johannes Paulus II tot kerklerares uitgeroepen. Waarom? Omdat zij, veelgeliefden, omdat “de kleine Trees” als geen ander geleerd heeft om voortdurend in alle kleine en grote dingen van het leven “ja” te zeggen, “ja” tegen de ingevingen van God en tegen de mensen. Doe je dat, veelgeliefden, geef je al je tegenzin, weerstand, traagheid en luiheid óp, geef je al je ongeloof óp voor een overgave als die van een kind, voor een jezelf simpelweg toevertrouwen aan het Leven en aan God (en Thérèse deed dat) - dan lacht de hemel je toe en dan word je “heilig”, dan word je een heel, een geheeld, een genezen mens … In dát vertrouwen lag Trees dan ook te kreperen: in de zekerheid dat ze naar de hemel zou gaan … En “na mijn dood zal ik het rozen laten regenen op aarde” zei ze. Gróót was de ontroering bij één van onze bedevaartgangers, Corrie Kievith, toen ze bij terugkeer in haar thuis-parochie, de Sint-Jozef in Zaandam, de kerk versierd vond met twaalfhonderd rozen … Ze hadden daar “startzondag” vorige week. “Ja,” zegt Corrie, “dan zeg ik maar niets meer …” Veelgeliefden, ik wens ’t U allen toe: “ja” te kunnen zeggen als Thérèse, dat van haar te leren misschien ook en als erfdeel de hemel te hebben, het koninkrijk van God. Amen.

Zoeken in Preken Online