25e zondag door het jaar (2008)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 25e zondag · groen

Welke landeigenaar gaat naar de markt om arbeiders te huren voor één enkel uurtje? Dat loont toch de moeite niet. En welke baas betaalt voor één uurtje werk evenveel als voor een hele dag? Een mens kan op zijn klompen aanvoelen dat dit een onecht verhaal is, dat dit gewoon verzonnen is. Zoiets bestaat niet in het ondermaanse, daar is het loon naar prestatie. Het bedrijf van een werkgever is geen liefdadigheidsinstelling, en hij speelt ook niet voor Sinterklaas. Dat weet Jezus natuurlijk ook wel. Maar juist ómdat het zo’n onwaarschijnlijk verhaal is, daarom heeft Hij het verteld. Geen boer is zo gek om mensen aan te nemen als het werk ten einde loopt. God wel!

Mensen zeggen of denken: we beleven het einde der tijden. De leeftijd van het menselijk geslacht is bijna voorbij. De werkdag is bijna om. Zo vrezen ze. Laten we nog wel kinderen binnen in deze wereld, want het is misschien nog maar voor een kort poosje. Een gewetensvraag. Voor God is het dat niet. Voor God is dat geen bezwaar. Hij geeft graag voor niks. Denkt u maar aan de ongeboren kinderen: dikwijls niet gewenst bij de mensen, maar wel door God. Daarom neemt Jezus met opzet een onwaarschijnlijk verhaal, om ons Gods onwaarschijnlijke en ongelooflijke goedheid te illustreren.

We zouden in deze parabel onze aandacht vooral aan de arbeiders kunnen geven. Dat doet Matteüs ook. Vlak vóór deze parabel zegt hij: “Veel eersten zullen laatsten en veel laatsten zullen eersten zijn” (Mt 19,30). Waarschijnlijk dacht Matteüs aan de uitverkiezing van de heidenen. Dat is wel de grootste ongelijkheid die de mensen in die tijd moesten slikken, de ongelijkheid in de genadebedeling; hoe de Joden zoveel eeuwen, zovele geslachten, in verwachting van de Messias, ineens zagen dat ze ingehaald werden door de heidenen, die het zo maar in de schoot geworpen kregen, en nog wel het volle pond. Ze krijgen meteen Jezus, Hem, waarop de Joden zoveel eeuwen hebben gewacht. Aan het slot van deze parabel herhaalt Matteüs de spreuk, die hij ook aan het begin had ingelast, - en alleen nu niet is voorgelezen, - maar nu toegepast op de werklieden van de parabel: *“Zo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn.”*
We kunnen dus letten op de verschillen tussen de arbeiders. Verschillend werk, gelijk loon, verschillende werktijden, gelijk beloning. Maar in de parabel valt niet het volle licht op de werklieden, maar op de heer van de wijngaard. Voor ons gevoel is hij onrechtvaardig; niet als we elke uitbetaling apart nemen, maar als we ze gaan vergelijken. Als je gaat vergelijken, krijg je moeilijkheden. Dat deed die oudste broer van de verloren zoon ook. Hij zegt tegen zijn vader: Die zoon van u heeft uw vermogen verkwist met slechte vrouwen en nu wordt hij door u zo hartelijk onthaald. U laat het gemeste kalf slachten voor hem, en wat krijg ik? Niets. Terwijl ik zo hard gewerkt heb, kon er nooit eens een bokje voor mij af (Lc 15,11-32). Ook hij vergeleek zichzelf met zijn broer.

Dat is eigenlijk de moeilijkheid waarmee iedere mens komt te zitten zo gauw hij gaat vergelijken. Het gaat er oneerlijk aan toe in de wereld, in de grote wereld en in de kleine wereld, bijvoorbeeld in een klooster. Als je zou kijken hoe de rijkdommen van onze wereld zijn verdeeld over de wereldbewoners, dan krijg je een stuitende ongelijkheid. Als men de wereldbevolking zou terugbrengen tot een dorp van honderd personen en daarin de verhoudingen zou terugbrengen zoals die er in onze wereld uitzien, dan zou dat dorp zijn samengesteld uit zeventig analfabeten, en maar dertig mensen die kunnen lezen en schrijven. Vijftig procent lijdt aan ondervoeding, tachtig procent woont in slechte huizen. En wanneer u naar de Kerk gaat zonder overvallen te worden, gefolterd, of gedood, dan bent u beter af dan drie miljard mensen die moeten leven onder regimes die christenen vervolgen.

Als je je gaat vergelijken met anderen dan heb je altijd te klagen of je hebt nooit te klagen. Je bent altijd beter af, of je bent altijd minder af. Maar je moet gewoon niet gaan vergelijken, want ieder mens moet zijn bestaan beleven als iemand die enig is, een uitzondering, onvergelijkbaar. Ieder van ons kan zeggen: zo als ik ben, zo is er geen ander. Van mij bestaat er maar eentje. Er bestaat een spreekwoord: ‘Kiespijn in je eigen mond is erger dan hongersnood in China.’ Het gaat er dus om dat je de eenmaligheid van je eigen bestaan helemaal bewust aanvaardt. Alleen zo kun je die ten hemel schreiende ongerechtigheid in de verdeling van de schatten van de aarde verdragen.

Sommige mensen zeggen: Ze zouden dit moeten, of ze zouden dat moeten. Het is hun eigen schuld dat ze er zo slecht voor staan. Eigen schuld, dikke bult. Ze hebben het aan zichzelf te wijten. Maar dat is de arrogantie van de rijke. Deze realiseert zich totaal niet dat hij alles wat hij heeft ook maar gekregen heeft, en ook maar te danken heeft aan omstandigheden die hij niet zelf heeft geschapen. Net zo min als de arme de omstandigheden heeft geschapen van dat arme milieu waaraan hij zijn armoede te wijten heeft. Anderen zeggen: ach laten we maar genieten en profiteren van de voorrechten die ons zomaar in de schoot zijn geworpen, en daar hoort onder anderen bij, dat wij ons de luxe kunnen permitteren om de andere kant uit te kijken, om maar niet dat ongeluk van die anderen te hoeven zien, waardoor wij ons eigen geluk bederven.

Je moet jezelf dus niet vergelijken. Of liever gezegd, je moet jezelf niet vergelijken in het opzicht van wat je krijgt of wat je niet krijgt, maar je moet je vergelijken in het opzicht van Wie je het krijgt. Kijk niet naar de gaven, die zijn ongelijk verdeeld, maar kijk naar de liefde waarmee ieder wordt bedeeld. Dat is dan ook het antwoord dat de Heer ons geeft: “Zijt gij kwaad, omdat Ik goed ben?” Bij al die ongelijkheid die je ziet, gaat het erom dat Ik Mijzelf altijd gelijk ben: altijd goed. God is de goedheid zelve. Je moet je niet vergelijken met anderen, want dan ontgaat je precies de goedheid en het geluk omwille van die goedheid waarmee we begonnen zijn: ‘Salus populi ego sum.’ ‘Ik ben het heil, het geluk, van mijn volk.’ De mensen kunnen met Mij gelukkig zijn, want Ik ben er altijd. Achter alles ben Ik.

Mensen zijn in de wereld bijna altijd bezig met zichzelf te vergelijken: ik ben beter, ik ben groter, ik ben sneller, ik ben knapper. Ze maken er een soort wedstrijdje van. En hoe gemakkelijk gaat het wanneer je een wedstrijdje speelt, dat het dan om de knikkers gaat en niet meer om het spel. Dan gaat de aardigheid, de schoonheid, het geluk ervan af. Speel eens een keer niet om de competitie te winnen, je krijgt namelijk een veel mooier spel als het niet om de knikkers gaat.

Onze Lieve Heer speelt met ons een spel, - daar komen ook wel knikkers aan te pas,

  • maar Hij zorgt er voor dat het spelelement de boventoon viert. Kijkt u maar zoals het er hier aan toe gaat. Hetgeen wij hier vieren, noemen wij eucharistie en dat betekent: dankzegging. Blijkbaar krijg je iets, maar je krijgt niet zo maar iets, je krijgt iets waarvoor je dankbaar bent. Kennelijk zit er dus meer achter bij dat wat je krijgt. Je krijgt liefde, en die liefde die je krijgt, krijg je met liefde. Dat maakt het nu net even anders.

    Nu is het met dat liefdesspel tussen God en de mensen zo, dat hoe minder je krijgt aan gave, des te meer je open komt voor de liefde waarmee Hij zijn gaven geeft. Datgene wat er achter zit, achter alles wat Hij geeft, of dat nu veel, weinig of bijna niets is, dat komt hier naar voren toe, dat wordt hier zichtbaar gemaakt, zij het ook weer in een teken: de sluiers van het sacrament. En waar krijgen wij dan zicht op? Wat is het dan wat we zien? Dat Hij ons zijn eigen Zoon geeft! Hij geeft ons zijn liefde, zijn heilige Geest. En dan ziet u meteen dat dát voor ieder van ons gelijk is. U krijgt allemaal hetzelfde brood, U krijgt allemaal te drinken uit dezelfde beker. De liefde waarmee Hij zijn Bloed voor ons heeft vergoten, dat wordt ieders deel. Dat zit er achter bij die verscheidenheid aan gaven, die ook hier in het klooster soms zo groot kunnen zijn, dat de een over de ander zegt: ja, die heeft het getroffen. Was ik maar als die, of was ik maar als die.
    Kijk niet naar de gaven, kijk naar dé Gave. ‘Salus populi ego sum.’ ‘Ik ben het heil van mijn volk.’ Dat kan ieder van ons zeggen, want wij horen allemaal tot dat volk. Hij is ons heil, Hij is ons geluk.

Zoeken in Preken Online