25e zondag door het jaar A (2008)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 25e zondag · groen

Als ik de krant lees, sla ik de Economiepagina’s bijna altijd over. Dat kan nu een voordeel zijn bij het luisteren naar het evangelie van vandaag. Want - zoals Jesaja al zegt in de eerste lezing - de gedachten van God zijn niet die van de mensen, en de ingewikkelde regelingen en wetgevingen van onze economie zijn niet als in de Bijbel. Nu wil ik er niet voor pleiten dat wij in onze 21e eeuw zouden moeten vasthouden aan de letterlijke teksten van de Schrift om daarmee de Troonrede te schrijven of de Rijksbegroting te maken. Ik denk wel dat de Schrift ons kan helpen om bepaalde kernwaarden scherp voor ogen te krijgen, en vervolgens met een kritische blik te kijken, niet alleen naar ons persoonlijke leven, maar ook naar onze samenleving en naar concrete regelgevingen. Zo probeer ik vandaag het verhaal te verstaan dat Jezus aan zijn leerlingen vertelt.

In de Schrift duurt de dag met alles wat daarbij hoort, waaronder het werken, twaalf uur, laten we voor het gemak zeggen van zes uur ’s ochtends tot zes uur ’s avonds. Schemering is er nauwelijks in Israël, dus de nacht duurt ook twaalf uur, ook van zes tot zes. De dag is dus verdeeld in twaalf uren, en die telling horen we regelmatig in de Bijbel. Zo gaat de landeigenaar aan het begin van de dag naar de markt, dus om zes uur ’s morgens. Hij huurt alle beschikbare arbeiders voor een denarie, en stuurt ze naar zijn wijngaard. Rond het derde uur, dus negen uur ’s morgens gaat hij weer en aan hen belooft hij een eerlijke prijs. Dat doet hij ook op het zesde en het negende uur, dus rond twaalf uur en rond drie uur. Op het elfde uur, dus om vijf uur ’s middags gaat hij nog een keer, een uur voor zonsondergang. Over een uur wordt het werken in de wijngaard door de duisternis onmogelijk. Ook nu nog vindt hij mensen die de hele dag door niemand gehuurd zijn. Het verhaal vertelt niet waarom niet, dus dat weten we niet, of dat mogen we zelf bedenken. Is het omdat ze de hele dag op bed gelegen hebben, of hebben ze daar de hele dag gestaan, of hebben ze het op een andere plek geprobeerd? Wilden ze zelf niet eerder of wilden niemand ze hebben, en waarom niet? We weten het niet. In elk geval worden ze nu voor dat ene laatste uurtje alsnog ingehuurd, naar de wijngaard gestuurd. Een uur later, als het donker geworden is en het werken dus klaar, dan volgt de betaling. In opdracht van de eigenaar worden dan eerst de laatsten betaald en ze krijgen een denarie, de prijs dus die hij alleen met de eersten had afgesproken, want met de anderen had hij niets concreets afgesproken, alleen ’een eerlijke prijs’. De eersten zijn daarna dan boos, teleurgesteld, en eigenlijk gewoon jaloers, omdat ze zelf nu meer verwacht hadden, omdat zij de hele dag onder de hete zon op de akker hebben gewerkt en de anderen maar een uurtje. De reactie van de landeigenaar is kort maar krachtig, en is eigenlijk een dubbele reactie: “Ik doe jullie niets tekort, je krijgt waar je recht op hebt, wat wij hadden afgesproken; en jullie zijn boos omdat ik uit mijn eigen zak meer geef dan zij door hun werk hebben verdiend.”

Een aantal woorden en begrippen in dit verhaal vragen om een verduidelijking. Zo wordt in veel profetische verhalen Israël of Gods koninkrijk voorgesteld als de wijngaard, en God als de wijngaardenier, de landeigenaar. Het gaat hier dus over God die goed wil zorgen voor zijn volk Israël, en wil dat zijn mensen zich hier ook voor inzetten. Als een goede herder - om een ander vertrouwd beeld te gebruiken - wil God zijn volk en een ieder geven wat zij of hij nodig heeft. Dat wordt ook duidelijk in de afspraak over één denarie, want een denarie is precies een dagloon. Dat is dus het loon voor wie een dag lang, van zes tot zes, daar hard voor werkt. Het is ook precies het bedrag dat nodig is om je gezin een dag te kunnen onderhouden. Dus geeft de landeigenaar ook diegene die pas laat aan het werk ging, een denarie mee naar huis, genoeg om brood op de plank te hebben voor dat gezin. Want hoe geef je je vrouw en kinderen te eten, als er die dag niemand was om jou werk te geven, als er geen WW-uitkering is, en zelfs geen bijstand, en ook geen kinderbijslag, ja, überhaupt geen geregelde sociale voorzieningen, zoals in heel veel landen nu nog het geval is?

Onze gedachten en wegen zijn niet als die van God. Hoe gaan wij mensen hier mee om? Op talloze plekken op de wereld laten we mensen, kinderen honger lijden en van honger omkomen. En hoe gaat God hier mee om, blijkens deze parabel? God wil - altijd weer, steeds opnieuw - een bevrijdende God zijn. God geeft wat ieder nodig heeft: aan de harde werkers de denarie die ze verdiend hebben, de werkers van het elfde uur de denarie uit genade, om niet, uit liefdevolle zorg voor deze mensen. De een krijgt waar die recht op heeft, voor gewerkt heeft, de ander krijgt uit Gods goedheid, wat ze niet hebben verdiend, maar wat ook zij nodig hebben. (Dat is niet eerlijk, zeggen sommigen van ons, zoals de oudste zoon uit een ander verhaal.)

Natuurlijk doen wij mensen niet alles slecht, en natuurlijk hebben we af en toe ook wat bijgeleerd. Zo kennen wij in Nederland inmiddels een systeem van uitkeringen. We vinden het normaal dat wie wel werkt, meer verdient, en evenzeer gewoon dat wie niet kan werken of geen werk kan vinden, wel recht hebben op een uitkering waarvan zij een menswaardig bestaan kunnen bekostigen, alles wat wij mensen nodig hebben om goed te kunnen leven.

Op die wijngaard van Gods koninkrijk wil Jezus in deze parabel onze aandacht vestigen, op onze wereld waar ieder van ons nodig is om er een menswaardige samenleving van te maken. Doen we dit al ons leven lang, laten we dan blij zijn met ieder die ons wil komen helpen. Komen we pas op dit moment van ons leven tot inzicht, laten we ons dan nú omkeren naar elkaar.

Het komt mooi uit dat we deze lezingen mogen horen aan het begin van de Vredesweek. Vrede heeft alles te maken, niet alleen met de afwezigheid van oorlog, maar meer dan dat met een samenleving waarin ieder mens heeft wat hij of zij nodig heeft om goed te kunnen leven. Het bijbelse sjalom, vrede, staat ook voor welzijn en welvaart, voor het goede leven. Waar oorlog is, is geen vrede. Evenzeer geldt: waar armoede heerst, en onrecht, daar is evenmin vrede. Stelen is niet goed, maar niemand hoeft verbaasd te zijn als er gestolen wordt waar rijken in luxe leven en de ogen uitsteken van armen zonder brood of eerste levensbehoeften. Dit geldt in een dorp of een stad, en ook wereldwijd nu onze wereld meer en meer een dorp wordt.
De vredesweek nodigt ons uit te bidden om vrede: Geef vrede, Heer, geef vrede. De vredesweek nodigt ook uit om wereldwijd, dus ook hier, te werken aan eerlijke verhoudingen. Het is onaanvaardbaar dat de Millenniumdoelen niet gehaald dreigen te worden omdat de rijke landen voor de zoveelste keer hun kortzichtige en egoïstische eigenbelangen stellen boven die van onze medebewoners in het zuidelijk halfrond. Zolang dit onrecht, dit schrijnende verschil bestaat, zolang wij als westerse landen nog altijd meer aan de ontwikkelingslanden verdíenen dan we er in schijnbare goedheid aan schenken, hoeven we niet verbaasd te zijn dat mensen uit armere landen onstuitbaar naar ons land en onze streken blijven komen. Hier helpen geen strengere immigratieregels tegen. Hier helpt alleen een eerlijkere verdeling van de welvaart in onze wereld.

Zoeken in Preken Online