Een parabel over werken. Op het eerste gezicht een contradictie. Maar gaan we dan niet uit van een dubbele misvatting? Een parabel zou dan lief zijn en werken een last. Maar is het wel zo eenvoudig? Een parabel is namelijk niet lief. Hij wekte toch de woede van de Joden? En hij schokt ook ons vandaag als we goed duwen lezen. En is arbeiden wel zo’n last nu wij weten, dat werkloosheid een vloek is?
Wij zullen dus een andere sleutel moeten vinden om het geheim van dit verhaal te ontgrendelen. Staren wij ons niet blind op de rechtvaardigheid, op onze rechtvaardigheid die hier tegengesproken wordt? Zou Jezus twintig eeuwen geleden aan onze werkloosheid, aan onze sociale rechtvaardigheid hebben gedacht? Dat kan toch niet. En dat was ook niet.
Hij dacht aan iets anders. Hij dacht aan mensen die op de markten en pleinen stonden, werkloos, futloos, zinloos. Aan mensen voor wie het leven geen leven is. Zij hebben het nog niet gevonden. En daarom doen ze maar wat. Daarom doen ze maar niets. En - wat nog veel belangrijker is - daarom worden ze verstoten en krijgen ze lelijke namen. Ze zijn onder andere lui.
Voor Jezus is God een werkzame, een zorgzame, een minzame God. En Hij wil mensen om Zijn droom te verstaan en te vertalen alle eeuwen door. Dat is, om het eenvoudig te zeggen, het Rijk Gods: mensen die meegaan in de beweging van het goede. Opdat alle mensen op aarde zouden leven, echt leven, voor datgene wat gelukkig maakt, echt gelukkig: voor gerechtigheid en vrede. Voor die droom opent God Zijn VDAB. Hij heeft veel medewerkers nodig, veel vrijwilligers.
Welnu, eens waren wij, christenen van vandaag, heidenen, verstotenen, buitenstaanders, zinloos dolend op de markten van het leven, werklozen voor het Rijk Gods. Wij waren er niet bij vanaf het eerste uur. Wij behoorden niet tot de uitverkoren eerste groep. Wij mogen letterlijk van geluk spreken, dat Hij aan ons heeft gedacht en dat Hij de lift nog openhield toen wij doelloos in de gang stonden en toen de mensen in de lift op de knop wilden drukken: voor hen zat de lift al vol genoeg en was er geen plaats voor ons. Maar ook wij waren belangrijk voor Hem. Hij kon ook ons gebruiken!
Hier wordt de parabel scherp voor ons, christenen. Zullen ook wij de lift open houden om mensen binnen te laten? Durven wij aan mensen van een ander gedacht, van een andere kleur, van een andere cultuur zeggen: kom in Zijn wijngaard? Eens waren wij de laatsten. Eens waren wij de mensen van een ander gedacht, van een andere cultuur. Wij zouden moeten onthouden hoe triestig het is als niemand ons wil vragen: mogen wij u uitnodigen?
Wat een delicaat en dringend woord!