Het verhaal van de excentrieke landeigenaar komt alleen bij Matteüs voor. Het is een verhaal waarvan Jezus zelf zegt dat het ons iets leert over het koninkrijk der hemelen. Het leert ons ook heel wat over onszelf en onze samenleving. Het doet dat op diverse manieren. Het is alsof er in dit verhaal verschillende zaken in of over elkaar geschoven zijn. 0p het eerste gezicht is het alsof onze hele wereld op haar kop gezet wordt. Dat gebeurt ook. Tot tweemaal toe zegt Jezus dat zelf heel duidelijk.
In de laatste regel voor dit verhaal begint in 19,30 staat: ‘Maar velen die de eersten zijn, zullen de laatsten zijn’, en dan op het einde van onze tekst in 20,16 zegt hij: ‘Zo zullen de laatsten de eersten, en de eersten de laatsten zijn.'
Het is alsof de verteller zo’n plezier heeft in die vondst om de gewone orde der dingen om te draaien, en van eersten laatsten en van laatsten eersten te maken, dat hij er daarom een tweede keer - en nu zelfs radicaler - op terugkomt. Onder dit alles schuilt een die¬pere betekenis. Het feit dat alles in eerste en laatste instantie voor iedereen een geschenk is. Een gratis gift. Ieder die wel eens ge¬schenken geeft - en wie doet dat niet - stuit op een moeilijkheid. Wat je aan de één zomaar - gratis en voor niets - geeft, schijnt voor anderen een soort recht te scheppen.
Op een kille regenavond in de vijftiger jaren gingen we eens met wat studenten in de Valle del’Inferno (het Helledal) onder de muren van het Vaticaan in Rome een deken afleveren aan een doodarm immigrantengezin. Er was die middag in hun van karton en oude benzineblikken gebouwde huis een baby geboren. De deken was voor moeder en kind een levensnoodzaak. Buren bespioneerden ons, en ze hadden gezien wat we deden. Ze kwamen terstond kla¬gen, dat wij oneerlijk waren omdat zij geen deken gekregen hadden. We konden duizend maal uitleggen dat ze er daarom toch geen recht op hadden, het hielp allemaal niets. Ze werden kwaad omdat we voor anderen goed waren.
Dit soort klacht wordt vaak aan God gericht. Waarom zijn anderen gezond, terwijl ik ziek ben? Waarom zijn anderen gelukkig, terwijl ik ongelukkig ben? Waarom heb ik hoofdpijn, terwijl anderen niet eens weten wat dat eigenlijk is? Waarom moest zij sterven terwijl ze nog zojong was? Het is zo alsof onrechtvaardigheid de grondslag van de wereld is. Het is een vaak gehoorde en bittere klacht, die geen enkel menselijk sociaal, of ander welvaartssysteem uit de weg kan ruimen. Het is een klacht die Jezus in deze parabel beantwoordt. Alles is een gift, niemand heeft een a priori recht om zelfs ook maar in het bestaan geroepen te worden. Om het wat gewoner te zeggen: ‘alles is meegenomen’. We moeten dankbaar zijn voor wat we krij¬gen, en niet klagen over wat er niet gegeven wordt.
Er is een verdere moeilijkheid: de pretentie van hen die meer gekregen schijnen te hebben. In Jezus’ parabel is dat het geval met de werklui die het eerst uitgenodigd werden om te komen werken. Ze menen daarom op méér recht te hebben dan ze zelfs met hun werkgever aanvankelijk afgesproken hadden.
Het is een verhaal dat we allen kennen. De eigenaar van de Mercedes Benz verwacht beter behandeld te worden dan de Tra¬bantrijder. Tot voor kort moesten de linkshandigen zich aanpassen aan de rechtshandigen. Op mensen met een lichaamsgebrek werd (wordt) neergezien door ‘validen’. Ook het omgekeerde is het geval: zij die met succes door een psychiater door een impasse of wat dan ook heen gekomen zijn, voelen zich soms verheven boven hen die zoiets nooit nodig hadden. Niet-rokers kijken neer op rokers.
Je kunt dat soort voorbeelden tot in het oneindige doortrekken. Er is een oneindig aantal motieven om als ‘eersten’ op ‘laatsten’ neer te kijken: geld, spieren, huidskleur, geur, leeftijd, geslacht, kinderen, woonplaats, kant van de straat, afkomst, vroomheid, ras enzovoort, enzovoort!
Als Jezus zegt dat de laatsten de eersten zullen zijn en de eersten de laatsten draait hij de orde niet om. Hij schaft ze af. Er is geen nieuwe rij waarin nu andere mensen voorop en achteraan staan. De eersten en laatsten zijn gelijk. Er zijn geen eersten en laatsten meer. Er zijn alleen gelijken, broeders en zusters, die vrienden zijn.