Het verhaal over de werkers in de wijngaard roept nog altijd weerstand op bij ons. Begrijpelijk, want het lijkt er op dat God wordt voorgesteld als een liberale grootgrondbezitter die zijn arbeiders uitbetaalt wat hem goeddunkt. Het lijkt op willekeur en het is niet eerlijk. Tenminste naar onze maatstaven - en die zitten diepgeworteld - is het niet zoals het hoort. Wij vinden: wie het eerst komt, het eerst maalt en wie het meest presteert is ook het meeste waard; voor wat hoort wat.
Maar laten we wel wezen: dit verhaal is natuurlijk geen uitgangspunt voor sociaal recht en kan geen leidraad zijn voor een CAO. De parabel die Jezus vertelt wil ons alleen heel erg duidelijk laten voelen dat God anders tegen mensen en dingen aankijkt dan wij. ‘Zijn gedachten zijn nu eenmaal niet onze gedachten’, zei Jesaja al, en: ‘zoals de hemel hoog verheven is boven de aarde zo gaan zijn wegen de onze te boven en zo gaan zijn ge¬dachten ons denken te boven'.
Gods liefde is dus niet zo bekrompen; God is royaler dan wij. Hij laat de laatsten evenzeer mee genieten en delen in het geluk. De laatsten zijn Hem evenveel waard als de eersten.
De laatsten, de mensen die altijd achteraan komen, dat waren in Jezus’ tijd het gewone volk, de zieken, de zondaars, de heidenen, de mensen die niet rond en niet mee konden komen. Hij trok er even goed mee op als met de eersten; de schriftgeleerden en farizeeën en anderen met inkomen en aanzien. Ze zijn Hem allemaal even lief.
Nog altijd zijn er laatsten, mensen die minder kansen hebben en minder meetellen in ons midden. Mensen die voorgoed zonder werk zijn geraakt; of mensen die gescheiden zijn en in plaats van begrip voor de ellende die daaraan voorafgaat alleen maar horen: waar er twee vechten hebben er twee schuld. Of mensen die ziek zijn geworden, gehandicapt of oud zijn geworden en zich afgeschreven voelen. Dat en heel veel anderen zijn de laatsten in onze samenleving. En dan natuurlijk al die mensen, al die kinderen, geboren in een van die landen aan de verkeerde kant van de streep.
Onze wereld is veelal gebouwd op het recht van de sterkste, de macht van de rijkste. De ‘eersten’ maken veelal de dienst uit en de wegen van ons mensen zijn nog lang niet de wegen van God, waar Jesaja ons aan herinnert. De wegen van de mensen draaien veelal om zelfverdediging, harde wedijver, eigen belang en allerlei privileges. Wij vinden het moeilijk om, zoals God, de zon voor iedereen te laten schijnen.
We kunnen maar moeilijk de zon in het water zien schijnen bij een ander die het ons inziens niet heeft verdiend. Net als de werkers van het elfde uur gunnen we sommigen niet evenveel als onszelf en zeker niet meer.
Aan het begin van de vredesweek dient het toch nog maar eens gezegd: vrede wordt alleen daar geboren waar mensen elkaar het goede gunnen. In de parabel leert Jezus ons: Gun elkaar het geluk. Ook die er misschien minder voor hebben gedaan dan jij, minder wilden, maar heel vaak: minder kónden doen dan jij.
Heel lang dachten we: in het Oosten wonen onze vijanden; daar zit de agressor. Nu is er gebleken dat er gewone mensen wonen, die net als wij vrede en vrijheid willen, werk en eten en geluk. De muren zijn weg, de grenzen open; nu onze harten nog.
Want als straks de Trabantjes ingeruild gaan worden voor echte auto’s, gunnen we ze dat dan of gaan we zeuren en zeggen dat wij er veel harder voor hebben moeten werken. Als de asielzoekers hun gammele caravan straks kunnen inruilen voor een echt dak boven hun hoofd, hoe reageren we dan? Kwaad omdat hun goed wordt gedaan? Pas als we vrede hebben met elkaars geluk groeit er vrede in de wereld.