De meeste parabels van Jezus hebben eerst een zelfstandig bestaan geleid, daarna heeft dan elke evangelist die in een speciaal kader geplaatst, waardoor dan ook dikwijls nieuwe accenten gelegd werden. Zo plaatst Matteüs deze parabel tussen dezelfde begin- en slotzin: de eersten zullen de laatsten en de laatsten zullen de eer¬sten zijn (v.19,30 en v.20,16). Zo krijgt deze parabel bij Matteüs een bijzonder accent. Hij wil zeggen: de christenen, die in deze wereld dikwijls de laatsten zijn, zullen eens de eersten zijn. En tegen de joodse christenen zegt hij tegelijkertijd waarschuwend: ook al zijn jullie de eersten, toch mogen jullie je daarop niet blijven beroemen tegenover de later gekomen heiden-christenen, want dan zouden jullie wel eens de laatsten kunnen worden.
Bij Jezus zelf ligt het accent wel enigszins anders. Petrus zei tegen Jezus: ‘Zie, wij hebben alles prijsgegeven om U te volgen. Wat zullen wij nu krijgen?’ Dan geeft Jezus hem een antwoord met deze gelijkenis: ‘Het Rijk Gods is te vergelijken met een landeigenaar.’ Hij maakt hem dan duidelijk dat in het Rijk Gods heel andere maatstaven gelden dan in onze menselijke samenleving. Gods gerechtigheid is niet aan dezelfde maatstaven gebonden als onze menselijke, aardse gerechtigheid. De eerste maatstaf voor God is niet de menselijke prestatie: maar zijn eigen grenzeloze liefde.
In wezen gaat het in dit evangelie bij Jezus over de voorstelling van God die wij meedragen. Jezus zegt klaar en duidelijk: God is geen boekhouder, die heel ons doen en laten nauwkeurig noteert. God is ook geen strenge chef die uitsluitend kijkt naar onze prestatie en productiviteit. Wie meent dat hij de hemel kan verdienen, uitsluitend als beloning voor zijn goede werken, heeft God grondig misverstaan. God is heel anders, veel groter dan wij Hem kunnen voorstellen. Hij past niet in menselijke categorieën. God is oneindig goed voor de mensen en dit wel op een manier die voor ons onbegrijpelijk blijft. Hij wil alleen de goede God zijn, goed, zonder onderscheid voor alle mensen. Zo wordt deze parabel voor ons een blijde boodschap, omdat Jezus zich hier verzet tegen de mentaliteit van hen die alles uit eigen kracht willen doen en die wegens hun goede werken menen een trapje hoger te staan.
Wij stellen ons zelf ook dikwijls in de rol van Petrus. Wat krijgen wij daarvoor? Eigenlijk kunnen we God toch niets voorrekenen. Wie zou van God willen terughebben wat God hem eerst gegeven heeft? Als God ons zou vergelden volgens onze verdiensten en fouten, dan zouden wij er geen van allen goed van afkomen. Als Hij rekening zou houden met al onze ongerechtigheden, wie zou dan kunnen bestaan?
Op het einde van haar verdienstelijk leven zegt de kleine H. There¬sia: Alles is slechts genade! Als gelovigen beseffen wij dat veel te weinig. Alles wat we hebben of wat we zijn is toch genade. Wat heb je, dat je niet eerst gekregen hebt? Is het soms onze verdienste dat wij mogen geloven? Is het onze verdienste dat wij trouw Gods geboden kunnen onderhouden? Is dat alles geen geschenk van God, ook al is het ons vaak door bemiddeling van goede mensen gegeven. Als wij onze prestatiedrang een beetje zouden inruilen tegen vertrouwen op God, dan zouden wij met heel wat minder stress kunnen leven.
Als wij zo leven vanuit Gods genade en dankbaar zijn voor alles wat wij elke dag opnieuw van Hem ontvangen, dan zullen wij ook niet boos zijn wanneer God ook goed is voor anderen in zijn overrijke erbarming. Dan zullen wij ook zonder afgunst ons kunnen verheugen over het goede dat anderen doen, ons oprecht verheu¬gen over al het goede dat in deze wereld geschiedt. Want al het goede strekt tenslotte allen tot voordeel.
Wij kunnen dan ons hart geruststellen omdat wij geen ‘verdien¬stelijke’ mensen behoeven te zijn, als wij maar dankbaar genoeg zijn om te erkennen dat wij allen door Gods goedheid ‘begenadigde’ mensen zijn…