Het evangelie van de arbeiders in de wijngaard lijkt ons onwaar¬schijnlijk: mensen die maar een uurtje gewerkt hebben, krijgen hetzelfde loon als mensen die de hele dag in de brandende zon hebben moeten werken. Misschien zijn wij wel geneigd die boze arbeiders van het eerste uur gelijk te geven. Wij huldigen het principe: gelijke monniken, gelijke kappen; gelijk loon voor gelijk werk?
Maar Jezus schijnt een ander principe te huldigen: gelijk loon voor ongelijk werk. Dit evangelieverhaal is een parabel, dat wil zeggen, een verhaal om eens over na te denken. Jezus wil met dit verhaal niet aantonen hoe de verhoudingen moeten zijn tussen werkgevers en werknemers. De werkgever is trouwens in dit verhaal geen mens, maar God. Het is een verhaal waarin duidelijk wordt hoe God handelt tegenover mensen.
Deze parabel heeft eigenlijk een drievoudige bodem, zo kunnen wij ons afvragen: wat wilde Jezus duidelijk maken toen Hij de parabel vertelde? Welke bedoeling had de evangelist toen hij deze parabel opschreef? En tenslotte: welke boodschap heeft deze parabel nu nog voor ons?
De ergernis waartegen Jezus moest reageren staat in de woorden: ‘Gij stelt ze gelijk met ons’. Mensen die twaalf uur gewerkt hebben, worden gelijkgesteld met mensen die slechts één uur gewerkt hebben. Jezus heeft zich in zijn tijd ingezet om de vrome mensen van die tijd, de farizeeën, duidelijk te maken, dat zij de marginalen, de zondaars, moesten erkennen als hun gelijken, dat zij met allen solidair moesten zijn. Daarom eet Jezus met zondaars en tollenaars om Gods overrijke goedheid duidelijk te maken. Voor God zijn alle mensen gelijk. Gods gerechtigheid is geen weegschaal van rechtvaardigheid. God werkt niet als een computer, die alles becijfert en berekent. Hij deelt gratis, voor niets, uit. Zo doet Hij met de verloren zoon en zo doet Hij met alle mensen. Hij houdt van ons allemaal evenveel, niet omdat wij hard werken, maar zomaar, zoals de ouders van hun kinderen kunnen houden, niet omdat ze hard werken, maar zomaar. Ouders kunnen zelfs een voorliefde hebben voor een kind dat helemaal niet in staat is om te werken. Bij God is dat nog veel meer het geval. Dat bedoelde Jezus met deze parabel, bij God geldt genade, niet verdienste. Hij geeft ons geschenken, geen loon.
Onze evangelist Matteüs leefde al in een andere situatie en heeft daarom de parabel opnieuw geïnterpreteerd. De eerste christenen waren vooral Joden. Matteüs wilde nu met deze parabel aanto¬nen, dat de heidenen, de laatst geroepenen, voor God even goed waren als de Joden, dat de joodse christenen zich niet mochten beroepen op hun afkomst, geen recht hadden op een betere positie in de Kerk of groter loon, want de rechtvaardigheid bij God is anders dan de gerechtigheid onder de mensen.
De gerechtigheid van God richt zich niet naar de maatstaf: wie het meest presteert is het meeste weerd. Gerechtigheid bij God is, dat Hij ieder mens het recht op leven wil garanderen, ook de zwaksten in de samenleving. Als die laatste arbeiders maar een twaalfde deel van een denarie gekregen zouden hebben, dan hadden zij te weinig om van te leven. Een denarie was juist voldoende om er met een gezin twee dagen van te leven. In het uitbetalen van een denarie wil de landeigenaar het recht op leven garanderen.
De parabel heeft ons dus ook iets te zeggen over de betrekkingen tussen mensen, over sociale verhoudingen. In de werkers van het laatste uur kunnen wij heel goed de niet-actieven, de werklozen, de werkongeschikten zien, diegenen die niet aan de bak komen. De eigenaar geeft iedereen wat billijk is, zo hebben ook zij die niet kunnen werken, recht op wat billijk is. Deze gelijkenis leert ons solidair te zijn met de laatsten. Wie geen vreugde kan scheppen in het geluk van de ander, die heeft bekering nodig van zijn prestatie¬moraal en van zijn egoïsme…