Met kleine getallen is tegenwoordig niemand tevreden. Alles moet ‘veel’ zijn: veel geld, veel eigendom, veel volk, veel vermaak, … Men wil met grote getallen bewijzen dat men succes heeft, dat men op de goede weg zit. Een pastoor die alles met kleine getallen moet noteren is te beklagen en je zou er soms een minderwaardigheids¬complex van krijgen, vooral als de pastoor uit de buurt spreekt van zijn volle kerk of van zijn grote collectes. Alles wordt graag groots opgezet: de pausbezoeken, de heiligverklaringen, de kerkdagen. Daar gaat het om honderdduizenden, dan haalt men de krantenkoppen en de tv. Daarbij komen in mijn hoofd de geweldige getallen op uit het boek der Openbaring: “En ik zag een geweldige menigte die niemand tellen kan, er waren er 144.000 uit alle stammen van Israël, " of: “tienduizend maal tienduizenden dienden Hem.”
Moet ik dan niet beschaamd denken aan de kleine aantal¬len waarmee ik mij in mijn parochie tevreden moet stellen? De twaalf procent kerkgangers die ik op een normale zondag heb, dat handvol kinderen in de eerste banken, die tien mensen die door de week naar de kerk komen. Als ik op een parochiebijeenkomst enkele mensen op de been krijg ben ik al heel blij, en als er een decanale verga¬dering gepland is met veel propaganda en met een bekende spreker, verheugen wij ons als wij twintig mensen samen krijgen. En zo kan ik verder gaan.
Dan klinkt het evangelie van vandaag mij heel sympathiek en heel troostend in de oren. Is het u niet opgevallen dat dit evangelie alleen maar spreekt van heel kleine getallen: “onder vier ogen,” -“neem een of twee personen mee, “zeg het aan de gemeenschap,” die in die tijd zeer klein geweest moet zijn. En verder: “wat twee van u vragen” en “waar twee of drie in mijn naam samenzijn.” Op geen enkele plaats in het evangelie vind je zoveel kleine getallen bij elkaar. Deze minigetallen klinken dan ook zeer troostvol, dat is een echte blijde boodschap. Op grote getallen is Jezus schijnbaar niet zo gesteld en het is ook niet nodig dat de christelijke gemeenschappen zich kun¬nen beroepen op grote successen of getallen. Daar schijnt een voorkeur te bestaan voor ‘kleine basisgemeenschappen’, waar op het ‘met’ elkander en het ‘voor’ elkander de nadruk ligt en waar het leven zich afspeelt ‘onder vier ogen'.
Eigenlijk speelt het mensenleven zich toch ook altijd af in kleine hartelijke relaties. In de massa lopen wij immers verloren. Zeker kleine groepen hebben ook hun nadeel: daar kent men mekaar van binnen en van buiten, met deugden en ondeugden. Het is dan eigenlijk niet te verwonderen dat Jezus, die hier in het 1 8e hoofdstuk spreekt over de opbouw van een christelijke gemeenschap, de nadruk legt op de broederlijke vermaning en vergeving. Is dat dan het voornaamste in een christelijke gemeenschap? Schijnbaar wel.
Omdat de verlossing zich voltrekt in het hart van de mens en leeft van verborgen werken van barmhartigheid, tellen in de gemeenschap van de Kerk niet de grote getallen, maar het samenzijn van twee of drie in Jezus’ naam. Daar kan echt de broederlijke zorg door vermaning, door vergeving en door gebed tot haar recht komen, daar gebeurt de verlossing.
Daar waar wij in liefde samen zijn daar komt de Heer in ons midden, ook al zijn wij maar met twee of drie. Deze stille aanwezigheid van de Heer midden onder ons is de diepste reden waarom wij moedig verder kunnen werken, ook al zijn wij maar een kleine kudde. Dan hebben wij niets te vrezen, want God zelf zal ons dan zijn Rijk geven.