Wat doen we met de zondaar?

A-cyclus · Tijd door het jaar · 23e zondag · groen

Soms zie je in een woonkamer een groep van drie Indische apen. De een houdt zijn ogen dicht, de tweede zijn oren en de derde bedekt zijn mond met zijn hand. ‘Horen, zien en zwijgen’, is het motto waarmee sommigen misverstanden het best menen te kunnen oplossen. Het is een variatie van: Ik bemoei er me niet mee, ik heb genoeg met mezelf. Iedereen moet zelf weten wat hij doet; iedereen moet maar op zijn manier zalig worden. En er zijn nog een hoop andere redenen waarom je je niet wilt bemoeien met het gedrag van een ander. Daartegenover staat dan het andere uiterste: de zwarte schapen uitsluiten. ‘Ik zou niet te veel complimenten maken… Wie niet horen wil moet maar voelen.’

Wij komen telkens weer in de bekoring om volgens die maatstaven de zaak van de schuldigen af te handelen. De kerkgeschiedenis geeft ons daar genoeg voorbeelden van. Jezus leert ons echter een heel andere handelwijze tegenover de schuldigen. De een moet zorg dragen voor de andere, de een moet de last van de andere helpen dragen. Dat is de houding van de Goede Herder, van de barmhartige Samaritaan.

Als uw broeder gezondigd heeft, wat moeten wij dan doen? De Kerk is niet alleen een Kerk van heiligen, maar ook van zondaars. Dat is een werkelijkheid en Jezus geeft ons daarvoor gedragsregels: wijs hem dan onder vier ogen terecht. Het gaat om je ‘broer’, dan moet je gedrag natuurlijk ook broederlijk zijn. Het gedrag van de christen is nooit een louter persoonlijke aangelegenheid, het gaat het hele godsvolk aan. De zonde geeft ruimte aan het kwaad en is een belasting voor de hele Kerk. Maar wie struikelt mag je niet overhoop duwen. Je moet wel de moed hebben je broeder terecht te wijzen. Het moet wel een broederlijke terechtwijzing zijn, niet vanuit de hoogte, maar onder vier ogen, van vriend tot vriend. Het evangelie vraagt dat wij ons verantwoordelijk voelen voor elkaar en dat wij de moed opbrengen om iemand die op de verkeerde weg is, eens aan te spreken. De houding: ‘Laat hem maar doen, met hem is toch niets aan te vangen’ is geen evangelische houding.

Als dit persoonlijk gesprek niet tot het gewenste doel voert, dan moet je overgaan naar een groepsgesprek, een gesprek met getuigen, zodat de hardnekkige broeder kan inzien dat het niet gaat om inbeelding of laster, maar om een zaak die de gemeenschap aangaat; dat ernstige personen ook zorg voor hem dragen op zijn dwaalweg. Helpt dat nog niet dan is er maar één weg meer. Dan moet de kerkelijke autoriteit het laatste woord spreken. In uiterste gevallen, als al het andere niet meer helpt, dan heeft de Kerk van de Heer de macht ontvangen om een oordeel uit te spreken.

Luistert dan de broeder niet, dan is dat een teken dat hij zichzelf buiten de gemeenschap van de Kerk stelt. Maar ook dan mag de Kerk de mens nog niet opgeven, maar zij moet biddend tot de Vader gaan.

Als laatste stap om tot vergeving te komen noemt Jezus het gemeenschappelijk gebed. De volledige oplossing van een conflict is niet te vinden in een broederlijke vermaning, of verregaande dialoog, of straf, maar in het gebed van de gemeenschap. De Vader in de hemel kan alle conflicten oplossen. Het laatste woord in de Kerk is niet straf, maar gebed. Waar twee of meer in Jezus’ naam samen zijn, daar is de Heer in het midden van zijn gemeenschap, en zal Jezus de maatstaf zijn van hun doen en handelen. Zo bedekt de liefde een menigte van zonden.

Zoeken in Preken Online