Verantwoordelijk

A-cyclus · Tijd door het jaar · 23e zondag · groen

Het klinkt als een refrein doorheen heel de bijbel: wie God kent, moet anders leven dan wie God niet kent. Geloof in God brengt eisen mee voor het leven van alledag. ‘Als jullie Mij liefhebben, zul je ter harte nemen wat Ik jullie opdraag,’ zei Jezus (Joh 14,15). Hij wist ook wel dat dit rapper gezegd is dan gedaan. Mensen schieten tekort, falen en zondigen. Zelfs de grootste zondaars konden bij Hem vergeving krijgen. Als ze dat tenminste wilden. Maar Hij kreeg ook af te rekenen met verstokten van hart, die zich niet wilden bekeren.

Hoe omgaan met falende mensen, met zondaars? De eerste christenen hadden van hun Heer gehoord dat zij tot zeventigmaal zevenmaal vergeving moesten schenken. Ze hebben dat gebod in de praktijk van het kerkleven moeten omzetten. Het evangelie voorziet een soort procedure voor passende omgang met zondaars.

De eerste vereiste wordt niet vermeld, maar komt hierop neer: beseffen dat we zelf zondaars zijn en vergeving nodig hebben. Dat zal ons oordeel over anderen allicht milderen.

Maar de eerste christenen wilden hun taak ook niet ontlopen door bijvoorbeeld te stellen dat wij ons niet met anderen moeten bemoeien. Ietwat beschaafder gezegd: dat we de vrij¬heid van anderen moeten respecteren. Dat is natuurlijk waar, maar het kan een handig excuus zijn om ons te onttrekken aan een van de zwaarste verantwoordelijkheden die op ons rusten. Kaïn liet al schamper opmerken: ‘Ben ik dan de hoeder van mijn broeder!’ (Gn 4,9). De profeet Ezechiël kreeg het vlijmscherp te horen: ‘Als gij de boosdoener niet waarschuwt voor zijn gedrag, kom Ik zijn bloed van u opeisen!’ (Ez 33,8). Je mag je broeder die faalt niet aan zijn lot overlaten, je moet al het mogelijke doen opdat hij zijn fout zou inzien en op de goede weg terug zou komen. Want uw eigen leven hangt ervan af! Zo ver gaat onze verantwoordelijkheid voor onze medemens.

Jezus gaf heel precieze richtlijnen (die hier ongetwijfeld ge¬kleurd zijn door ervaringen in de beginnende Kerk): eerst onder vier ogen, dan iemand erbij halen, daarna voorleggen aan de Kerk, en ten slotte toeslaan! Zelf de straf voltrekken! Neen! ‘Beschouw hem dan als een heiden en een tollenaar,’ dat wil zeggen als iemand die de kans moet krijgen om zich te bekeren. Deze passage laat heel duidelijk zien hoe een compromis gevonden kan worden tussen zeer scherpe eisen enerzijds en de menselijke begrensdheid anderzijds. Wij mogen mensen die in de fout gaan niet aan hun lot overlaten, ook niet uit zogenaamd respect voor hun vrijheid. We moeten al het mogelijke doen om ze weer op het goede spoor te krijgen. Maar de ervaring leert dat het niet altijd lukt. En de ervaring leert eveneens dat mensen dan geneigd zijn ongeoorloofde middelen te gebruiken. Niets is zo nefast als mensen ertoe dwingen het goede te doen. De jonge Kerk heeft wegen ge¬zocht om in het reine te komen, zowel met de hoge eis als met de menselijke begrensdheid.

Zoeken in Preken Online