Huisgemeente

A-cyclus · Tijd door het jaar · 23e zondag · groen

Het commentaar van Karl Barth op dit gedeelte van het evangelie van Matteüs heeft als titel De Orde van de Gemeenschap. Daar gaat het over: aanwijzingen hoe zich binnen een gemeenschap te gedragen.

Matteüs heeft het daarbij over de huisgemeenten van zijn tijd. Dat zijn ‘huishoudens van geloof’. Als je dat zo zegt, dan denk je bijna vanzelf aan een patriarchale instelling.

Toen Johannes Paulus II bij zijn eerste bezoek aan Kenia in een lange toespraak zei dat iedere familie een ‘huiskerkje’ is, begreep de nationale voorzitter van de Keniaanse Katholieke Leken Organisatie dat op die patriarchale manier. Hij verklaarde later voor de televisie, dat hij zo blij was dit van de paus te horen, want het betekende voor hem het herstel van het oude Afrikaanse Gikuyu fa¬miliepatroon waarin de pater familias heer, meester, maar ook pontifex is.

Al meer dan een eeuw geleden gingen er stemmen op dat dit voor die eerste ‘huishoudens van geloof nu juist niet waar was. In 1876 schreef Georg Heinrici in het Zeitschrift für wissenschaftliche Theologie dat het daarbij niet over een patriarchaal georganiseerd familiemodel, maar over iets als ‘genootschappen’ of ‘verenigingen’ ging. De discussie sindsdien is lang en ingewikkeld. In ons land heeft professor Schillebeeckx in verschillende van zijn werken aan de discussie bijgedragen. Hij meent dat het in de ‘huishoudens’ waar Matteüs het over heeft, gaat om een zuster- en broe¬derschap van gelijken. Een gelijkheid die theologisch gebaseerd is op het doopsel in de geest, en sociologisch gestructureerd is als een vrije vereni¬ging. In deze interpretatie past een heel stel andere gegevens uit het evangelie van Matteüs in elkaar. De herhaalde uitnodiging van Jezus om ‘vader’ achter te laten (4,2; 8,21) en hem vrijelijk te volgen. Zijn verbod om wie dan ook hier op aarde vader te noemen, omdat we maar één vader hebben, die in de hemel is (23,9).

Jezus spreekt bij Matteüs tot zijn leerlingen dertien keer over ‘jullie vader’ (5,16.45.48; 6,1.8.14.15.26.32; 7,11; 10,20.29; 23,9). Het is God die aangesproken moet worden als ‘onze vader’ (6,9). Matteüs gebruikt die term maar liefst vijfenveertig maal voor God. Een term waarvan de exegeet Joachim Jeremias opmerkt dat, toegepast op God, het voor de oosterling van die tijd iets betekent van wat moeder voor ons betekent.

Dit alles heeft ook zijn weerslag op de verdere betrekkingen van de leden van de huisgemeente onderling. Die zijn allen broeders en zusters (23,8). We hebben één vader en moeder en zijn daarom allen zusters en broeders (adeiphai en adelphoi) van Jezus, en van elkaar. Matteüs laat Jezus na diens verrijzenis zijn naaste medewerkers dan ook niet ‘apostelen’, of ‘de elf’, of ‘leerlingen’ noemen.

Als de vrouwen van de engel aan het lege graf gehoord hebben dat Jezus verrezen is, rennen ze weg om het aan de elf te vertellen. Maar plotseling staat Jezus op hun pad. Hij groet hen. Ze vallen aan zijn voeten. En dan zegt hij: ‘Vrees niet, en laat mijn broeders weten dat ze naar Galilea moeten komen, waar ze me zullen zien’ (28,8-10). Ze worden door hem ‘broeders’ genoemd.

Er is nog een andere aanduiding van deze niet-patriarchale structuur in de huisgemeenten waar Matteüs het over heeft in onze tekst. Als er een moeilijkheid is - of in de woorden van de tekst: ‘wanneer uw broeder gezondigd heeft’ - dan moet die moeilijkheid onder vier ogen, en als dat niet gaat, onder acht ogen opgelost wor¬den. Als zelfs dat niet zou gaan dan moet de hele zuster- en broederschap bij de oplossing van het probleem ingezet worden. Het is de huisgemeente die gezag heeft.

We schijnen in onze kerkstructuur ver van dit alles afgedwaald te zijn. Maar we zijn Matteüs’ evangelie over Jezus en diens idealen blijven lezen. Bijna tweeduizend jaar later blijven die eerste huisge¬meenten, die ‘huishoudens van het geloof, ons uitdagen ons geloof in onze broeder Jezus waar te maken in de wereld waarin we leven.

Jezus belooft dat hij aanwezig zal zijn waar twee of drie in zijn naam bij elkaar komen. De Frans-Hebreeuwse zienster Simone Weil merkte eens op dat het er niet meer moeten zijn. Dat is overdreven. Maar iets van de gelijkheid en sfeer van zo’n niet-patriarchaal huise¬lijk groepje moeten we in het grotere kerkgeheel vinden, willen we kunnen leven.

Zoeken in Preken Online