Misschien zijn wij te week of te verdraagzaam? Misschien zijn wij te zeer gesteld op vrijheid? Op vrijheid van overtuiging, van mening, van geloof, van politieke partij en van gedraging. De anderen mogen anders zijn en - hopelijk - mogen wij dat ook van hen? Niets mag ons dwingen. Niemand mag ons indoctrineren. Op dat punt zijn wij zelfs overgevoelig. Het volstaat, dat iemand een concreet voorstel doet en wij noemen hem al directief of zelfs autoritair. Wij gaan zover, dat wij mensen niet meer uitnodigen. Uit angst, dat ze ons opdringerig zouden vinden. Zo leeft de moderne mens eenzaam in zijn huis en tuin. in zijn eigen hokje met zijn eigen benepen overtuiging.
Of wij daar allemaal zo gelukkig mee zijn, is een andere zaak. In ieder geval, het maakt ons weinig geschikt om te luisteren naar de taal van profeten. Zij zijn immers niet naïef in hun tolerantie. Zij komen op voor hun overtuiging. En… ze zeggen die nog luid ook. Ze steken hun oordeel niet weg onder de gekende stoelen of banken. Daarom is hun boodschap voor ons zo vreemd.
Luister nu eens even naar een man als Ezechiël. Hij windt er geen doekjes om. De legers staan voor de deur. De vijand zal Jeruzalem binnenvallen. Hij maakt daar geen militaire of politieke beschouwingen bij. Hij zegt, dat het de fout is van het eigen volk. Hij zegt, dat het een straf is omdat ze niet trouw zijn geweest aan Gods geboden. Zo ruw staat het er.
Dat komt omdat de profeet een wachter is, een poortwachter. Als hij de vijand ziet aankomen, moet hij uit eerlijke wachtersplicht het volk waarschuwen. Als hij dat niet doet, is hij in gebreke. Niet alleen tegenover zijn zakelijke, functionele opdracht maar tegenover God Zelf. Hij is immers prof eet en staat in bevolen dienst. Als hij het volk gewaarschuwd heeft, komt de straf op hun rekening en gaat hijzelf vrij uit. Anders is hijzelf schuldig aan een dubbel kwaad: aan het kwaad van de overval en aan het kwaad dat deze overval veroorzaakte.
Geef toe: wij staan ver verwijderd van dit soort religieuze spreken. De vijand van onze stad is niet altijd Gods vijand. En het kwaad zit niet altijd aan één kant: bij het ongehoorzame eigen volk.
En een gewapend conflict plaatsen we ook al niet meer op rekening van het kwaad of van de zonde. Allemaal termen die ons niet meer aanspreken. Allemaal vreemde taal.
Als er dan toch boodschap in steekt, is dat wellicht, dat wij wel eens nood zouden kunnen hebben aan mensen die het kwaad durven te benoemen. Wellicht zijn we zo vrij-denkend aan het worden dat we het kwaad niet meer kwaad durven te noemen. Zodat wij wel onze complexen kwijtspelen maar finaal misschien ook onze morele zin? Ik durf het bijna niet te zeggen omdat het zo slecht klinkt, maar misschien zou het mij en ons eens goed doen als wij een gezond schuldgevoel zouden inoefenen. Want dat alles op aarde zomaar straffeloos kan gebeuren, kan toch ook niet de waarheid zijn. Wij klagen immers zoveel over onrecht en geweld, over de structurele oorzaak van de honger en de armoede. Maar we durven niet meer zeggen, dat wij de vijand binnenlaten omdat wij hem niet buiten hebben gehouden?
Zo vreemd is Ezechiël uiteindelijk niet.