De echte brieven van Paulus zijn de oudste documenten die we hebben over Jezus en het ontluikende christendom. Paulus was, naar men zegt, door en door joods, maar hij was als jood goed geïntegreerd in de indertijd dominante heleense cultuur. Aanvankelijk bestreed hij de mensen van Jezus, maar door een visioen kwam hij tot het besef dat Jezus een nieuwe weg geopend had, dat hij de redder uit Sion was, niet alleen voor joden, maar voor alle mensen. Hij heeft dat visioen uitgedragen, met al zijn energie en heftigheid, met al zijn voor ons soms onnavolgbare redeneringen. Het zal hem pijn gedaan hebben dat hij wel veel heleense medeburgers de ogen heeft kunnen openen, maar veel van zijn volksgenoten niet. Kennelijk heeft hij ooit gedacht dat deze daarom niet verlost zouden worden, maar dan beseft hij dat zijn volk toch gered zal worden, dat God trouw is en hen blijft liefhebben. In zijn brief schrijft hij zijn romeinse lezers daar vooral niet anders over te denken.
De brief deed me denken aan de kerken en synagoge, aan hoe ze uit elkaar zijn gegroeid, aan alle wederzijdse misverstanden. Misverstanden die her en der uitgroeiden tot argwaan en argwaan die soms uitliep op geweld. De holocaust wordt door velen als het dieptepunt gezien van de lange geschiedenis van dat wederzijdse onbegrip. Maar dat lijkt me te simpel, de heidense nationaal-socialisten hadden zondebokken nodig en gingen op een andere manier even hard te keer tegen Roma, Sinti katholieke Polen en orthodoxe mensen in het oosten. Maar de kerken in Duitsland en Oostenrijk kijken toch met schaamte terug op die tijd. Ze konden niet tegen Hitler op, zij en wij hadden het graag anders gezien. Misschien was het zonder oorlog gelukt wanneer ze meer tijd hadden gehad, zoals in Polen met het staatscommunisme, maar die was er niet. Ze zagen het kwaad te laat en te veel van hun mensen gingen er in mee. Al die pracht en praal, al die grote woorden uit die tijd, ze waren een kaartenhuis. Toen het erop aankwam, waren de meesten te laat. Te veel mensen waren verblind en te weinig mensen hadden de ogen open. En wij, wij schamen ons met hen.
De brief van Paulus deed me ook denken aan alle commotie van zo’n 25 jaar geleden rond het gebed op Goede Vrijdag voor de bekering van de Joden. “Perfidem"stond er in het latijn . In mijn missaal was dat vertaald met trouweloos'. Ik ben geen latinist, maar in de context van dat gebed zou ik het met niet trouw’ vertaald hebben. Het gebed had ook meer in de geest van Paulus gekund. Of zoals de paasnacht, ook tijdens de shoah werd het volgende gebed gebeden : .., dat alle volkeren der aarde kinderen van Abraham worden en tot de waardigheid van Israël mogen overgaan’. Ik lees hierin, dat alle volkeren op aarde zijn uitverkoren, alleen het ene beseft dat eerder dan het andere. Na al het nationalistische geweld van de afgelopen eeuw hebben we het niet meer zo op volkeren, in onze tijd zouden we zeggen, dat ieder mens is uitverkoren, maar dat de een dat eerder beseft dan de ander.
De brief van Paulus deed me ook denken aan een boek van Celine uit de jaren dertig. Een zwart en giftig boek, maar o zo goed geschreven. Ik heb het niet uitgekregen en weet nog nauwelijks waar het over ging, maar ik herinner me een passage waarin hij schrijft dat de Joden Jezus weer zullen omarmen, wanneer hij door de gojem, de niet-joden, verlaten zal zijn. Celine was geen christen en in zijn boeken is hij een antisemiet. Hij wist met zijn literair talent het tegengestelde beeld van dat van Paulus op te roepen. De kerken waren toen al volop aan het leeglopen en ik herinner me dat ik huiverde bij dat beeld : een wereld waarin Jezus vergeten is en de kerken leeg staan, `even leeg als de dorische tempels van Paestum’, zoals de dichter Jellema schreef.
In het evangelie van vandaag kunnen we lezen, dat onze gemeenschap gebouwd is op mensen die zien. Simon Petrus zag en Jezus bevestigde hem in wat hij zag. Jezus is niet alleen een zoon van mensen, maar ook de zoon van de levende God. Maar op een andere manier dan men zich dat voorstelde in die tijd. Anders had iedereen hem wel herkend. Waarschijnlijk ook op een andere manier dan wij ons dat voorstellen.
Hoe krijgen we oog voor Jezus? Laten we beginnen bij ons zelf en bij elkaar. Jezus noemde ons kinderen van God. Wij zijn geroepen dat kind van God in elkaar en onszelf herkennen. We kunnen leren van de vrome dorpspastoor van Ars , die zo’n tweehonderd jaar geleden leefde. Geen spitsvondige theoloog, geen studieus type, geen vlotte prater, verre van dat. In de nasleep van de franse revolutie waren de kerken op het platteland leeggelopen. Als pastoor van zo’n lege kerk in een vergeten gehucht zat hij vaak in de kerk, zo maar en zonder iets te willen, maar zichtbaar gelukkig in de stilte. Het wonder geschiedde: van lieverlee liep de kerk weer vol en van heinde en ver kwamen mensen bij hem biechten. Hij luisterde aandachtig en mensen werden bij hem even wie zij ten diepste waren. Toen een moeder zich radeloos tot hem wendde nadat haar zoon zich zelf verdronken had, zei hij met grote zekerheid dat er tussen de brug en het water genoeg ruimte was voor berouw en Gods barmhartigheid.
Wanneer we zonder oordeel, belang of plan naar een ander te luisterenen, zo nodig door zijn uitvluchten, te mooie verhalen of argwaan heen, wanneer we dat kunnen, kan hij worden wie hij ten diepste is. Door te luisteren naar de stilte, voorbij de maalstroom van gedachten, horen wij het onzegbare. Dat gebeurt ons niet vaak , maar laten we het herkennen wanneer het gebeurt en laten we geloven dat in de stilte na de storm die door onze kerken getrokken is het onzegbare hoorbaar wordt.