21e zondag door het jaar A (2008)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 21e zondag · groen

Inleiding

‘Inclina, Domine, aurem tuam ad me, et exaudi me. Salvum fac servum tuum, Deus meus, sperantem in te. Miserere mihi, Domine, quoniam ad te clamavi tota die!’ … ‘Heer, luister naar mij en verhoor mijn gebed. Mijn God, breng uw dienaar redding; hij rekent op uw hulp. Wees mij genadig, Heer, want zonder ophouden roep ik tot U.’
‘Heer, luister naar mij en verhoor mijn gebed … Wees mij genadig, Heer.’ We komen samen naar de kerk, maar toch is het eerste gebed van deze zondag, zoals zo dikwijls, een gebed van één enkel iemand die God aanspreekt als ‘mijn God’. Dat is helemaal in de lijn van het kerkelijk samenzijn. We staan bij de schuldbelijdenis als één man op en belijden samen schuld, maar ieder zegt: ‘Door mijn schuld.’ En straks bij de geloofsbelijdenis gebeurt precies hetzelfde. We staan schouder aan schouder en belijden ons geloof, maar we zeggen: ‘Credo’, ‘Ik geloof.’ Als Jezus vandaag in het evangelie aan alle leerlingen vraagt: “Wie zeggen jullie dat Ik ben? is het alleen Petrus die antwoordt. “Simon Petrus antwoordde: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.” Aan allen wordt de vraag gesteld, één geeft het antwoord. Nu ja, Petrus is een extraverte man, spontaan, het hart op de tong, maar Jezus heeft een andere gedachte: “Niet vlees en bloed” doen je zo spreken, “maar mijn Vader die in de hemel is.” Geen menselijke eigengereidheid of spontaneïteit, maar goddelijke inspiratie. Zo is het ook met het bidden in de gemeenschap van de Kerk: het komt niet van mensen, maar van de heilige Geest. De Kerk is goddelijk én menselijk. Dat is het geheim van de Kerk en van elke gelovige. Het doopsel wordt persoonlijk toegediend: ‘Ego te baptizo’ … ‘Ik doop jou.’ Het gebouw van de Kerk rust op het fundament van Gods liefde voor elke gelovige persoonlijk en op de persoonlijke bezieling van de heilige Geest die bij het doopsel in het hart van de gelovige wordt ingestort. Aan het begin van de zondagse eucharistie worden wij uitgenodigd ons dit geheim van de inwijding door de heilige Geest opnieuw in herinnering te brengen.

Homilie

“Toen Jezus in de streek van Caesarea van Filippus gekomen was, stelde Hij zijn leerlingen deze vraag: …” In de streek van Caesarea van Filippus, dat wil zeggen: in een door en door heidense omgeving. Er stonden wel veertien oud-Syrische Baältempels en op een hoge heuvel was een diepe grot die men hield voor de geboortegrot van de Griekse god Pan. Herodes de Grote had er een grote witmarmeren tempel laten bouwen ter ere van Caesar, bij wie hij op die manier in het gevlei dacht te komen. Herodes’ zoon, Filippus, deed er nog een schepje bovenop door de tempel extra te verfraaien, maar vooral door de naam van de stad te veranderen in Caesarea, de keizerstad. Er is daar een massieve, indrukwekkende rotspartij. Een rots deed de Israëlieten aan God denken. In de psalmen wordt God bijna twintig keer ‘rots’ genoemd: “Mijn God, de rots waar ik toevlucht vind” (Ps 18,2). Jezus noemt Simon Kefas, dat is Aramees voor rots “en op deze rots zal Ik mijn Kerk bouwen.” Het Petrusambt wordt door Jezus voorgesteld als een geestelijk rotsmassief, waartegen de aanvallen van de hel zich te pletter lopen.

Hoe kan de Kerk een rotsmassief zijn, de Kerk bestaat toch uit een veelheid van mensen en dientengevolge een veelheid van meningen? Hoe wordt er in de Kerk leiding gegeven, zodat er één lijn ontstaat? Dat geschiedt door het hiërarchische ambt. Nu is in de openbare discussie het woord ‘hiërachisch’ tegenwoordig bijna een scheldwoord geworden. Maar wat is de oorsprong van dit woord? Het is samengesteld uit twee andere woorden: ‘hieros’ en ‘archè’. ‘Hieros’ is heilig of hemels, van hemelse oorsprong, tegenover wat van aardse oorsprong is, zoals de “menselijke overwegingen”, “vlees en bloed” en tegenover wat van helse oorsprong is “de poorten van de hel.” Het tweede woord is ‘archè’ dat ‘ordeningsbeginsel’ betekent. Hiërarchie is dus een heilig ordeningsbeginsel, door God gegeven, tegenover menselijke ordeningsprinciepen, zoals geld, ontwikkeling, stand en klasse. De Kerk wordt geleid door een heilig, door God gegeven ordeningsbeginsel. We zien dat in dit evangelie ook. Jezus vraagt: “Maar jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?” Tweede persoon meervoud, een vraag aan allen, maar, als was het de gewoonste zaak van de wereld, alleen Petrus geeft het antwoord: “Simon Petrus antwoordde: …”

Toch is het niet de gewoonste zaak van de wereld, maar wel de gewoonste zaak van het evangelie. Daar is het steeds Petrus die namens de anderen als woordvoerder optreedt; meer dan eens is het Petrus alleen die een vraag stelt, terwijl Jezus Zich in zijn antwoord richt tot allen (vgl. Mt 15,15-17). Blijkbaar was de Kerk hiërarchisch vanaf het begin, al tijdens Jezus’ aardse leven. Hier zien we hoe Petrus, gedreven door de heilige Geest, tegenover de menselijke antwoorden het kerkelijk credo formuleert: “Gij”, Jezus van Nazaret, “zijt de Zoon van de levende God.” De Mensenzoon, de zoon van de mensen is Zoon van God of anders geformuleerd: Jezus is de Heer, de naam die Jezus van de God van het Oude Verbond heeft geërfd. Maar niemand kan zeggen: “Jezus is de Heer, tenzij door de heilige Geest” (1 Kor 12,3). Jezus bevestigt het openbaringskarakter van Petrus’ belijdenis: “Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard maar mijn Vader die in de hemel is.” Met andere woorden: niet je eigen menselijke inzicht, maar het licht van God heeft je tot deze belijdenis gebracht. Daarmee bevestigt Jezus dat ons geloof een ingestorte deugd is, evenals de hoop en de liefde. Deze worden ons van boven ingestort, niet verworven door ‘vlees en bloed’, maar door onze Vader die in de hemel is. Deze instorting door de heilige Geest gebeurt aan iedere gelovige. Het is een deelname aan het kennen en beminnen van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Daar, in het hart van de allerheiligste Drie-eenheid is de Kerk ontstaan en ontstaat de Kerk steeds weer opnieuw. De Kerk vernieuwt zich dan ook niet zozeer door sociale actie, herstructurering, beleidsverbetering, alswel door een vernieuwde Christuservaring. Kerkvernieuwing begint in het gebed.

Jezus verbindt dit vermogen om Hem als Heer te belijden, van die ene persoon Petrus, aan een heel milieu, aan een gemeenschap, aan de Kerk. Het is zijn genadegeschenk, en Hij voorziet het meteen met een eeuwigdurende garantie: “want de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.” De belijdenis van het zuivere geloof is tegen druk bestand. Zo voorziet Jezus het instituut van de Kerk van de soliditeit van een rotsmassief. Diezelfde soliditeit die Israël in de loop van zijn geschiedenis in God is gaan zien: niet wankel, wispelturig, onbetrouwbaar, zoals de afgoden van de naburige vokeren, maar stabiel en soliede, vast als een rots: “Voor ieder die vlucht tot Hem, is Hij een rots. Want wie is er God dan de Heer alleen? Wie is onze rots tenzij God?” (Ps 18,32; vgl. Ps 28,11; 31,3; 62,3). Niet een persoon wordt hier vergoddelijkt, maar het ambt, het Petrusambt, het rotsambt. We zien in de geschiedenis hoe de Kerk dodelijke crises op wonderbaarlijke wijze te boven is gekomen. Zouden wij, die een diepgaande crisis meemaken van de beschaving en van de Kerk, dan bang moeten zijn dat de Kerk het dit keer niet zal overleven?

“Ik zal u de sleutels geven van het Rijk der hemelen en wat gij zult binden op aarde, zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat gij zult ontbinden op aarde, zal ook in de hemel ontbonden zijn.” De sleutels van het Rijk der hemelen zijn niet alleen maar de sleutels van de Kerk, het is een verhevener, een hogere macht: “Wat gij zult binden op aarde, zal ook in de hemel gebonden zijn.
Het woord van de Kerk krijgt een goddelijke waarborg. God staat achter de Kerk. De sacramenten geven een innige vereniging met God. De Kerk is het sacrament van de vereniging met God, van de eenheid die Christus heeft met God. Breng dan geen scheiding aan tussen het goddelijke en het menselijke in de Kerk. Ontvang het Lichaam van de Heer met het geloof, niet naar wat u ziet, maar naar wat u gelooft. Net als in de Kerk: goddelijke aanwezigheid in menselijke vorm en gedaante. Dat hoge geloof willen we nu met een oprecht hart belijden.

Zoeken in Preken Online