Als je van iemand de sleutel van zijn huis krijgt, zodat je erin kunt wanneer je maar wilt, is dat wel een groot bewijs van vertrouwen.
Petrus kreeg van Jezus de sleutel van zijn huis, de sleutel van het rijk der hemelen. Hij kon erin wanneer hij maar wilde. Petrus moet dat gebaar van Jezus geweldig gewaardeerd hebben. Wat betekent dat? Wat is precies de sleutel? Waarom kreeg hij die sleutel? En zou Jezus die sleutel ook aan ons willen geven?
Als we de tekst van dit evangelie goed lezen, zien we dat die sleutelmacht van Petrus te maken had met zijn geloof. Jezus vraagt aan hem: ‘Wie denk je dat Ik ben?’ Het antwoord van Petrus is: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God’. En op die geloofsbelijdenis van Petrus volgt het moment dat Jezus hem de sleutel geeft.
Als we het goed begrijpen zit het zo: Petrus ziet Jezus als de Zoon van God. Dus als de weg, de waarheid en het leven. Hij ziet Jezus als de leidsman ten leven, als de mens die je de weg wijst naar echt geluk. Daar is hij van overtuigd. Zo heeft hij Jezus in de loop van zijn leven leren zien. En omdat Petrus dat gelooft; omdat hij daar ten diepste van overtuigd is, volgt hij de richtlijnen van Jezus ook op. Hij vindt daardoor een geweldig stuk geluk in zijn leven. Dat is die sleutel.
Maar dan ligt die sleutel ook binnen ons bereik. Als wij ons goed realiseren dat Jezus de Zoon is van God, de Zoon dus van Hem die er is voor ons, die ons einddoel is en die ons volmaakt gelukkig wil maken: als wij ons dat goed realiseren, en Hij zegt tegen ons: ‘Je moet niet roddelen’, dan doen we het toch niet? Als de Zoon van Hem die er is voor ons tegen ons zegt: ‘Je moet een ander vergeven dan doen we het toch? Als de Zoon van Hem die ons volmaakte geluk wil tegen ons zegt: ‘Oordeel niet’, dan doen we het toch niet?
Dit geloof dat hij de Zoon van God is wordt zo de sleutel voor een gelukkig leven, voor een ideale parochie, voor een ideale samenleving. Veronderstel dat je gelooft dat iemand een heel goede dokter is en die dokter schrijft je een bepaalde levenswijze voor, dan doe je het toch? Of veronderstel dat iemand van ons orgelles krijgt van de beste orgelleraar die je je denken kunt, en die man of vrouw zegt je: ‘Je moet je derde vinger op die noot zetten dan kun je met je vijfde vinger de volgende noot pakken, dan ben je toch wel gek als je dat advies niet opvolgt?
Welnu: Jezus is de Zoon van God. Hij is de weg, de waarheid en het leven. Hij is de mens die je de weg wijst naar het echte geluk. Hij geeft je adviezen. Dan hebben wij de sleutel tot het rijk der hemelen.
Daarom mogen wij ons best zorgen maken omdat veel mensen niet meer naar de kerk gaan. Niet dat dat op zich nu zo belangrijk is, maar als men zich nooit bezint op wat Hij te zeggen heeft, dan mist men toch wel de sleutel tot geluk.
En nu de hamvraag: wie van ons gelooft dat Hij de Zoon van God is? Wij moeten niet te gauw zeggen: wij, want we zeggen dat in onze geloofsbelijdenis. Nee, dan moeten we kunnen zeggen: wij, want wij doen wat Hij zegt. Dat is het geloof. Want of wij in Hem geloven of niet dat kun je merken vanavond of morgen, thuis of op je werk.
Er was iemand die niet kon geloven dat Jezus de Zoon van God was. Toen zeiden een stel kerkmensen die wel in Hem geloofden: die hoort niet bij onze kerk, die mag er niet in. Die mensen dachten dat ze in Hem geloofden. Maar in feite deden ze dat niet. Want Jezus had er nog nooit iemand uitgegooid.
Misschien moeten wij vandaag de gesproken geloofsbelijdenis overslaan. Wij kunnen dan ons geloof belijden metterdaad, in de loop van de komende week.