“Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen. Bij het horen van die woorden denk je aan onze Katholieke Kerk en aan de crisis die zij de laatste jaren doormaakt. Heel veel gelovigen verlaten de Kerk. Maar er zijn ook mensen, vooral jonge mensen, die leven volgens het principe: Christus ja, de Kerk nee, mensen die willen leven volgens het evangelie van Christus, maar die niet meer naar de kerk gaan, christenen zonder Kerk.
Wij zouden de vraag kunnen stellen: Is het mogelijk christen te zijn zonder tot de Kerk te behoren? Maar laten wij maar niet preken voor hen die buiten de Kerk zijn. Laten wij ons maar de vraag stellen: Waarom blijf ik in de Kerk? Ik blijf in de Kerk op de eerste plaats omdat ik gevolg wil geven aan de oproep van Christus.
Ik lees in het evangelie hoe Jezus een nieuw volk heeft willen samenroepen, een kleine kudde. En hij heeft beloofd: “Waar er twee of drie in mijn naam samenzijn, daar ben ik in hun midden'.
Hij heeft een groep apostelen gekozen en met hen was hij onderweg. Met hen heeft hij dikwijls de maaltijd gevierd. Hen heeft hij uitgezonden om zijn evangelie te verkondigen. In het woord en in de sacramenten van de Kerk ontmoeten wij de levende Christus. En vandaag horen wij in het evangelie hoe hij Petrus uitkiest als het fundament, als de rots waarop hij zijn Kerk wilde bouwen. Ik blijf in de Kerk omdat je Christus en zijn Kerk niet kunt scheiden. Ik blijf ook in de Kerk omdat ik trouw wil blijven aan mezelf. Ik ben gedoopt en gevormd in die Kerk, binnen de gemeenschap van de Kerk. Bij mijn doopsel hebben mijn ouders uitdrukkelijk ja gezegd tot de Kerk. Bij mijn vormsel heb ik dat woord van mijn ouders uitdrukkelijk bekrachtigd. Mijn in-de-Kerk-zijn is als het ware een tweede huid voor mij geworden. Dat in-de-Kerk-zijn is daarom niet iets wat ik zo maar als een kleed kan afleggen.
Ik ben christen geworden omdat mijn ouders en mijn familie gelovig waren. En zij waren gelovig omdat zij samen met heel veel anderen dat geloof binnen de Kerk gevierd en beleefd hebben. Ik heb nooit het gevoel gehad dat mijn ouders mij bedrogen hebben of dat zij zich zelf door de Kerk bedrogen voelden. Zij hielden van de Kerk zoals Christus, naar het woord van Paulus die zijn Kerk heeft liefgehad. Zoals Christus zich voor de Kerk geofferd heeft, zo hebben zij ook lief en leed met de Kerk gedeeld. Dat goede oude geloof was goed genoeg voor mijn grootouders, het was goed genoeg voor mijn ouders, het is ook goed genoeg voor mij. Ik kan niet doen alsof er tussen mij en de kerkgemeenschap niets geweest zou zijn. Daarom kan ik over de Kerk niet schamper en minachtend spreken, zoals ik dat ook niet doe over mijn ouders.
Ik hoef ook niet te doen alsof er in het verleden geen fouten gemaakt werden of dat vandaag alles in de Kerk zo heilig is, maar daarom ga ik er niet uit. Integendeel, door er bewuster en krachtiger in te gaan staan, kan ik positief meewerken opdat de Kerk Gods droom beter kan waarmaken.
Ik weet dat de Kerk een gave van Christus is aan mij. Omdat ik de taken van de Kerk voor onvervangbaar houd, daarom is de Kerk voor mij onvervangbaar. Hoeveel zou er niet ongedaan blijven, hoeveel goeds zou er niet verdwijnen als de Kerk er niet was!
Ik houd van de Kerk. Zij is geboren uit het water en het bloed die uit de zijde van de gekruisigde Christus stroomden. Zij is begiftigd met de Geest van God om zijn verstrooide kinderen samen te brengen. En omdat zij van Christus is, zal Hij ervoor zorgen dat zij blijft totdat Hij wederkomt.