Dit evangelie bevat een zin, die ons bijzonder in deze tijd moed kan geven: ‘Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen’. Een troost voor ons dat Jezus zelf borg zal staan voor het voortbestaan van de Kerk. De toekomst van de Kerk in haar geheel hoeft ons geen zorgen te baren, maar over de toekomst van de Kerk in onze gewesten daar mogen wij gerust ‘s nachts eens van wakker liggen. Het scheepje van Petrus zal wel niet vergaan, maar wat met de opvarenden gebeurt, daarover wordt niets gezegd. Wij weten dat in verschillende landen waar eertijds een bloeiend christendom bestond, de Kerk nu bijna volledig is uitgeroeid. Bij voorbeeld Noord-Afrika. Dat gevaar wordt ook reëel voor onze gewesten. Het veel geciteerde woord van Guardini: ‘De Kerk ontwaakt in de zielen’, kun je evengoed omdraaien en zeggen: ‘De Kerk sterft in de zielen'.
Het moet onze zorg zijn, dat wij werkelijk de Kerk van Christus blijven, dat wij ons altijd stellen onder het woord van God, dat wij in onze Kerk het gelaat van Christus laten weerspiegelen. Zo zal de Kerk van Christus op de eerste plaats een ‘open’ Kerk moeten worden. ‘In het huis van mijn Vader zijn vele woningen’, heeft Jezus gezegd. Er mag gerust een beetje ruimte zijn voor mensen die bezorgd zijn om het teloorgaan van eeuwenoude tradities en er mag ook ruimte zijn voor mensen die zich ergeren omdat de aanpassing aan onze tijd niet vlug genoeg gaat. Wij mogen ook rustig dialogeren over wat ‘bijkomstig’ en wat ‘wezenlijk’ moet zijn, want veel mensen beschouwen als wezenlijk wat anderen als bijkomstig beschouwen en omgekeerd. Wat is het criterium om het wezenlijke van het bijkomstige te onderscheiden? Is er wel zo’n criterium? Maant ons dat niet tot bescheidenheid, verdraagzaamheid en luisterbereidheid? In elk geval, de liefde van Christus brengt geen scheiding maar eenheid. De Kerk moet op de eerste plaats weer een kerk van vergeving zijn zelfs voor wat mensen nooit willen vergeven. Omdat Christus voor allen gestorven is, moet er in de Kerk plaats voor allen zijn, zelfs voor hen die niet meer weten waar ze nog naartoe kunnen gaan. De Kerk moet een teken van hoop zijn, waar iedereen met open armen wordt ontvangen.
De Kerk van Christus moet ook bevrijdend zijn. De Geest des Heren rust op haar om aan de armen bevrijding te melden. Zij moet een stem verschaffen aan mensen die niet mogen spreken, zij moet zich bevrijdend inzetten waar de armen onrecht wordt aangedaan. De Kerk heeft een enorme verantwoordelijkheid voor de kansarmen, van welke categorie ook, wil zij Kerk van Christus genoemd worden: ‘Ik sta midden onder u als een die dient'.
Daarom moet de Kerk voordat zij een lerende Kerk wil zijn een luisterende Kerk worden. Als zij in naam van Jezus wil delen in de vreugden en het lijden, in de angsten en de hoop van de mensen, dan moet zij de ellende van het volk zien en naar zijn noodkreten luisteren, dan moet zij afdalen om het volk te verlossen. Zij moet een teken van hoop worden, want waar de Kerk geen inspiratie meer kan geven aan Gods volk onderweg, daar gaan de leden dwalen.
Tenslotte moet de Kerk van Christus een ‘vierende’ Kerk zijn. Zij leeft van het paasmysterie van Christus, zij deelt reeds in de gave van de Geest en heeft reeds de voorgift ontvangen van het eeuwig leven. Daarom moet de Kerk onophoudelijk Gods grote heilsdaden verkondigen, totdat Hij wederkomt. Zij is de zuurdesem in deze wereld door onophoudelijk God te loven en te danken. Zo viert zij in de sacramenten reeds de gemeenschap van God met de mensen. Wij leven nu reeds van de vreugde en de vrede van Christus, die niemand ons kan ontnemen. Ook de armen, de zieken, de lijdenden mogen nu reeds delen in deze diepe vreugde, want de vreugde van de verrijzenis geldt voor iedereen. Ik zou hier wel eens openlijk mijn geloof willen uitspreken in die Kerk van Jezus. Ik hoop dat de Kerk niet blind vertrouwt op eigen tradities, maar ook niet kritiekloos elke nieuwe mode naloopt. Ik hoop dat de Kerk gevoelig is voor de vragen van de mensen, maar zelf niet hooghartig en bitter reageert als ze niet begrepen wordt. Ik hoop dat de Kerk een herberg wil zijn vol menselijkheid en vergeving, maar die zelf ook haar falen bekennen kan. Ik hoop dat de Kerk zich inzet voor vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping en zelf toch blijft uitzien naar de eeuwige woonplaats bij God. Ik hoop dat de Kerk de moed en de vreugde put uit de zekerheid dat God aan haar zijde staat, en zelf toch niet ophoudt haar trouw aan Gods boodschap ter discussie te stellen.