Naar Rome voor werk of vakantie, het blijft indrukwekkend. Je komt daar, in het hectische verkeer van een moderne wereldstad, twee soorten monumenten tegen. Op de eerste plaats de ruïnes van het Romeinse rijk: stevig gestut, goed onderhouden en voortdurend bewaakt, maar allemaal bouwvallen. Het Colosseum, triomfbogen, tempels en zwembaden, resten van een groot verleden. De boeiende samenleving die deze monumenten heeft opgericht, is in elkaar gestort al lang voordat de gebouwen begonnen te scheuren. Dat verval zette in toen alleen eigen macht en eigen bezit belangrijk werden en de gemeenschap daaraan ondergeschikt werd gemaakt. Aan de leiders van dat volk kan verweten worden, wat in de eerste lezing van de hofmaarschalk gezegd wordt: “Hij is geen vader voor zijn volk, maar alleen uit op eigen belang. Daarom zal God iemand aanstellen, die op tijd openmaakt en weer sluit, maar pas als de tijd daarvoor is gekomen.”
De tweede reeks van monumenten in de stad Rome wordt gevormd door kerken. Er is er minstens een in elke straat. Ze zijn goed onderhouden en heel de dag vol mensen. Er zijn kleine, maar vooral grote. Van die grote overtreft de St. Pieter alle. Door Rome wandelend komt de gedachte bij je op: zal het met de kerken net zo gaan als met de monumenten van het oude Rome? Zullen het eens ruïnes zijn? Toen men de St. Pieter bouwde, heeft men zich beroepen op de woorden van Jezus die wij zojuist lazen: “Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal Ik mijn kerk bouwen.” Die woorden heeft men in grote letters boven in de koepel aangebracht. Misschien wel in de hoop, dat ook de volgende woorden uit dat evangelie op de St. Pieter van toepassing zouden zijn: “En de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen.”
Kerken worden ruïnes. In zekere zin jammer, maar ik kan me niet indenken, dat Jezus die woorden bedoeld kan hebben voor een hoop stenen boven het graf van die armzalige Petrus. En Hij zal evenmin een instituut bedoeld hebben dat kroon op kroon stapelde en macht op macht. Want ik lees verder in het evangelie wat precies de opdracht is aan Petrus: te binden en te ontbinden. Te binden, dat wil zeggen: mensen bijeenbrengen van welk land ze ook komen en welke huidskleur ze ook hebben, jong en oud, behoudsgezind en vooruitstrevend, gezonde en zieke mensen, armen en rijken, degenen die het voor het zeggen hebben en degenen die zich moeten laten gezeggen. Jezelf van harte binden, je betekenis en leven aan hen ontlenen.
Als mensen zo bijeenhoren en zo voor elkaar opkomen, dan zal er inderdaad geen duivelse macht zijn die hen aan kan. Zo’n tempel wordt geen ruïne.
Behalve binden moest Petrus ook ontbinden. Dat moet betekenen: vergeven wat er ook geweest is. Je losmaken van teleurstelling, wanhoop. Niet langer blijven kijken op wat verdeeld en verkeerd was, niet langer blijven verwijten omdat er steken zijn gevallen. Ontbinden is isolement verbreken, eenzaamheid opvangen, zieken genezen, gevangenen opzoeken, vreemdelingen een dak boven hun hoofd bieden. Als mensen zo met elkaar leven, weten te binden en ontbinden dan geeft de hemel daar zijn zegen over en krijgt onze gemeenschap krachten tot het einde van de tijd en verder.
Bestand voor de eeuwigheid
A-cyclus · Tijd door het jaar · 21e zondag · groen