21e zondag door het jaar A - 2002

A-cyclus · Tijd door het jaar · 21e zondag · groen

“Wie zeggen de mensen dat Ik ben?”
Zusters en broeders, het is een vraag die velen onder ons wel eens bezig houdt en die Jezus zich dus ook stelt. En uit wat aan deze episode in het evangelie voorafgaat, blijkt dat ook zijn tijdgenoten zich afvroegen wie die Jezus eigenlijk was dat Hij duivels uitdreef, zieken genas en zelfs aan weer en wind zijn wil kon opleggen. Waar had Hij die wijsheid en die macht vandaan? Hij was toch maar de zoon van Jozef de timmerman? En via de apostelen vernemen we wat ze denken: sommigen zien in Hem een nieuwe Johannes de Doper, anderen vergelijken Hem met Elia of Jeremia of met nog een andere profeet, maar niemand beseft wie Hij echt is. Vandaar misschien zijn directe vraag aan de apostelen: “En gij, wie zegt gij dat Ik ben?” Een heel belangrijke vraag, want Jezus weet dat het van deze twaalf mannen zal afhangen of zijn boodschap verder leeft dan wel of ze verdwijnt. Zoals te verwachten is het Petrus die het juiste antwoord geeft. De immer spontane Petrus, de man die nooit echt redeneert maar veeleer impulsief reageert, de enthousiaste durver die op Jezus’ woord over het water naar Hem wil toegaan, en die dan toch begint te twijfelen. Maar hier twijfelt hij niet: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”, is zijn antwoord.

Zusters en broeders, velen beschouwen dit stukje evangelie als de scharnier in het evangelie van Matteus, niet alleen om wat Petrus zegt, maar ook om wat Jezus antwoordt. En bij dat antwoord, dat ge allen kent, wil ik even blijven stilstaan.

Vooreerst prijst Jezus Petrus zalig, want niet vlees en bloed hebben hem dit geopenbaard, wel Jezus’ Vader die in de hemel is. Met andere woorden, geloven doen we omdat de God ons daartoe roept, niet omdat onze familie of de Kerk ons daartoe aanzetten. Geloven gaat altijd uit van God, nooit van onszelf of van andere mensen.

Vervolgens noemt Jezus Petrus de steenrots op wie Hij zijn Kerk zal bouwen. Hij zal Hem de sleutels van het rijk der hemelen geven, en wat hij zal binden of ontbinden op aarde, zal ook in de hemel gebonden of ontbonden zijn. Het is vooral deze episode die in de loop der eeuwen ongelooflijk veel inkt heeft doen vloeien. Want wat betekenen die woorden? Stelt Jezus hier bij manier van spreken het pausschap in? En krijgt Petrus echt de sleutels van de hemel, zoals in het volksgeloof vaak voorgesteld wordt?

Zeker is dat Petrus hier door Jezus tot de eerste onder de apostelen wordt aangesteld. Hij krijgt binnen de groep een sleutelrol, daaraan kan niet getwijfeld worden. Die sleutelrol blijkt trouwens voortdurend in de vier evangelies en ook in de Handelingen van de apostelen, het boek dat de groei van de jonge Kerk verhaalt: Petrus is zowat de enige die echt aan het woord komt, en die ook voortdurend in het voetlicht treedt. Dit alles wijst erop dat de evangelisten, en met hen ook de eerste christenen, nooit aan die sleutelrol, aan die leidersrol van Petrus getwijfeld hebben.

Maar heeft hij echt de sleutels van de hemel? Natuurlijk niet. Hij krijgt de sleutels van het rijk der hemelen, zegt Jezus, en we weten al lang dat daarmee niet de hemel bedoeld wordt, wel de wereld van vrede en gerechtigheid die God voor ogen heeft, en die hier, op deze wereld, moet gerealiseerd worden. Petrus wordt door Jezus dus bij uitstek geroepen om de groei van die wereld op gang te trekken. Dat is dus geen macht die hij krijgt, wel een loodzware opdracht. Hij krijgt wèl de macht te binden en te ontbinden, maar hij krijgt die macht niet allèèn: in hoofdstuk 18 van hetzelfde Matteusevangelie verleent Jezus die macht aan al zijn apostelen. Maar wat moeten we verstaan onder dat binden en ontbinden? Ook dat vinden we in het Matteusevangelie; het betekent: beslissen of iemand al dan niet tot de christelijke gemeenschap behoort. In die kwesties krijgt Petrus dus een bijzondere stem. Maar binden en ontbinden gaat evenzeer over de opdracht van de Kerk om de mensen te bevrijden van de knellende banden van kwaad, verderf en lijden.

Zusters en broeders, door de eeuwen heen zijn de woorden van Jezus, gericht tot Petrus, dikwijls verkeerd begrepen, en spijtig genoeg vaak ook misbruikt. Paus en Kerk hèbben geen macht in of over de hemel, en nog minder over God. Niet zij, wel God zelf roept mensen tot geloof, en het oordeel ligt altijd enkel en alleen bij Hem. Wat we wèl hoorden in het evangelie is dat Petrus een voorgangersfunctie krijgt, en hoe hij die moet opvatten lezen we bij Lukas. Ook daar wordt hij door Jezus aangesteld, en wel met de volgende woorden: “Petrus, Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet zou bezwijken, en als ge eenmaal tot inkeer zijt gekomen, sterk gij dan op uw beurt uw broeders.” En dat, zusters en broeders, is meteen dè opdracht van de paus, en van èlke voorganger, of hij nu kardinaal, bisschop, deken, pastoor of leek is: hij of zij moet zijn of haar broeders en zusters sterken in geloof. En tot die opdracht zijn niet alleen zij geroepen, maar wij allen. Laten we dat dus doen, broeders en zusters, elkaar sterken. Altijd en in alles. Amen.

Zoeken in Preken Online