20e zondag door het jaar A (2008)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 20e zondag · groen

Inleiding

‘Protector noster, aspice, Deus, et respice in faciem Christi tui: quia melior est dies una in atriis tuis super millia!’ ‘God, onze Beschermer, wend uw blik niet af: zie om naar uw Gezalfde. Want één dag in uw huis is beter dan duizend daarbuiten!’
Dat huis, waar het zo goed wonen is, is niet meer voorbehouden aan een bepaald volk, maar aan allen die in God geloven en trouw zijn aan zijn geboden: “Mijn huis zal worden genoemd: een huis van gebed voor alle volken”, zegt de eerste lezing. Het is een kwestie van genade, de genade van Gods trouw, die onherroepelijk is, ook voor wie eenmaal, zoals het Joodse volk, ongehoorzaam was en de Messias heeft verworpen. Israël heeft daarmee zijn rechten verspeeld, maar niet Gods genade. Hij heeft immers zijn volk ingesloten in zijn ontferming, zegt sint Paulus ons in de tweede lezing uit de brief aan de Romeinen.
De driemalige afwijzing van het smeekgebed van de Kananese vrouw in het evangelie van deze zondag heeft maar één enkele zin, namelijk ons ervan te overtuigen dat we nergens recht op hebben, dat wij alleen maar kunnen steunen op Gods barmhartigheid, geen recht, maar genade. Die genade werd ons geschonken bij ons doopsel. Het is de poort naar dat huis van de Heer waar het ‘één dag beter is te wonen dan duizend dagen daarbuiten.’

Homilie

“In die tijd trok Jezus Zich terug naar de streek van Tyrus en Sidon.” Tyrus en Sidon, Griekse steden. Jezus is niet in zijn eigen land. Hij is niet temidden van zijn land- en geloofsgenoten, maar tussen de heidenen. Daarheen trekt Hij Zich terug. Weg uit het land van het geloof, weg van degenen die er het meeste recht op hebben, die de eerste rechten kunnen doen gelden: de huisgenoten van het geloof. Jezus voelt Zich niet veilig bij zijn geloofsgenoten: zijn voorloper, Johannes de Doper, werd lafhartig vermoord, opgeofferd aan de gril van een jaloerse vrouw en “op dit bericht voer Jezus vandaar in een boot weg naar een eenzame plaats om alleen te zijn” (Mt 14,13).

Dat Jezus Zich terugtrekt is een steeds terugkerend gebeuren. Wanneer er geen verschil meer is tussen christenen en heidenen, tussen gelovigen en ongelovigen, trekt Jezus Zich terug uit de Kerk. Wanneer religieuzen dezelfde levenswijze aannemen als de mensen in de wereld, zullen zij merken hoe Jezus Zich van hen terugtrekt. Als wij onze levenswijze onveranderd laten, als wij ons niet dagelijks opnieuw bekeren, zullen we merken dat God Zich van ons terugtrekt. Want we moeten niet denken dat Hij afwezig is of dat de moderne mens voor God niet meer aanspreekbaar zou zijn, dat wij in een tijdperk leven waarin de afwezigheid van God tot een existentiële ervaring zou zijn geworden. Dat zijn slechts geleerde woorden om de schrijnende pijn van het gemis toe te dekken en te legitimeren. Dat God afwezig is, Zich niet laat merken in onze ervaring, ligt niet aan Hém, dat ligt ook niet aan de tijd, aan de structuur van de samenleving, maar dat ligt aan óns. Want, zegt Augustinus: ‘Wij zijn de tijden.’ Het ligt aan ons omdat wij God voor ons eigen karretje willen spannen, omdat wij onze eigen ideeën niet wensen op te geven, omdat wij willen vasthouden aan onze eigen visie op ons leven, omdat wij die houding van zelfredzaamheid niet wensen op te geven.

Wanneer Jezus naar de heidenen gaat, wanneer God Zich laat ervaren aan de buitenstaanders, de kleinen in de Kerk, wil dat niet zeggen dat er iets van de eis van het geloof wordt afgedaan. Integendeel! Aan het gedrag van Jezus tegenover de Kananese vrouw kunnen we zien welke eisen het geloof aan ons stelt. Dat kan ons tot het inzicht brengen waar het bij ons aan schort. Geloven wil zeggen: Jezus van harte gelijk geven dat we nergens recht op hebben. Geloven houdt in: voor God opkomen zoals Hij de wereld bestuurt, de onbegrijpelijke wegen van zijn voorzienigheid van harte beamen, Gods wonderlijke manier van werken in ons eigen leven aannemen. Aannemen wat Hij er toelaat, wat Hij heeft toegelaten, vooral de aanstootgevende dingen, die ons al dikwijls geërgerd hebben, die ons al dikwijls hebben afgestoten, ongerijmd toeschenen, in onze eigen gemeenschap, in de Kerk, en ook in onszelf en in alles wat ons overkomt: God van harte gelijk geven, zoals de Kananese vrouw, die bleef roepen:“Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David. Mijn dochter is van een duivel bezeten en wordt verschrikkelijk gekweld.” … “Maar Hij gaf haar in het geheel geen antwoord.”
De apostelen, de mensen van de Kerk, doen daar nog een schepje boven op: “Stuur die vrouw toch weg, want zij blijft ons achterna roepen.” Het antwoord van Jezus dient om zijn afwijzing te motiveren: “Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van het huis van Israël gezonden” Maar de vrouw laat zich niet wegsturen: “Heer, help mij. En dan, om de afwijzing definitief te maken, zegt de Heer: “Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de honden te geven.” Zou het de vrouw kwalijk genomen kunnen worden, wanneer ze zich nu geërgerd had teruggetrokken? Wie laat zich zo behandelen - honds, vergeleken te worden met een hond?! Dat hoef je toch niet te nemen. Maar in plaats van zich te laten afwijzen, laat ze zich dit woord gelovig aanzeggen: als een Woord van de Heer. Wie heeft gelijk dan Hij alleen? Ze snakt naar verlossing, maar ook - want snakken naar verlossing doen we allemaal - is ze er diep van overtuigd dat Jezus haar die ook kan en wil geven. In de bedding van haar verlossingsverlangen en haar geloof in Jezus stroomt er in dat doffe, doodse, kille woord van de Heer geloofsinspiratie binnen en brengt er een nieuwe bezieling in; ze speelt de bal die Jezus haar toewierp terug: spontane, stralende instemming met het beeld dat Hij haar voorhoudt. Volgens de logica van het gelovige hart: geen ‘maar’, maar een ‘o ja’, ‘juist’, ‘precies daarom’. Zij haalt uit de barse afwijzing de verhoring te voorschijn, de verhoring die zich in de afwijzing verborg als een parel in de schelp.

Nu wordt het duidelijk waarom wij zo weinig van God merken in ons leven. Niet omdat Hij Zich zou verbergen, omdat Hij ons zou afwijzen, ons aan ons lot zou overlaten, maar omdat wij ons laten afwijzen, omdat wij Hem niet zoeken in zijn verborgenheid.

Echt geloof is onoverwinnelijk, want het is onweerstaanbaar. Daar is Jezus niet tegen opgewassen. Aan een gelovig smeekgebed móet Hij wel toegeven, ja, Hij moet eraan gehoorzamen als aan een bevel van zijn hemelse Vader. Jezus voelt in het aandringen van de vrouw iets van een goddelijke inspiratie, zoals bij de belijdenis van Petrus: “Niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is.” Of zoals Jezus meer in het algemeen formuleerde: “Niemand kent de Zoon, tenzij de Vader (Mt 11,27); “Niemand kan tot Mij komen, wanneer de Vader die Mij zond, hem niet trekt (Joh 6,44). “Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kinderen. Ja, Vader, zo heeft het U behaagd” (Mt 11,25). Het is de vinger van de Vader, die raakt aan het Hart van de Zoon, wanneer Hij in aanraking komt met echt geloof. Maar of het echt geloof is, moet eerst worden beproefd. God stelt ons geloof op de proef, zoals dat van de Kananese vrouw, niet omdat Hij haar en ons niet zou gunnen wat wij vragen, maar omdat Hij ons nog veel meer wil geven dan wat wij vragen: niet alleen een gave, een gunst, maar het geloof, en in het geloof Zichzelf.

De geschiedenis van de Kananese moeder toont ons hoe het geloof dat van de Vader komt, eruit ziet. Hoe eenvoudig het ook is, het is van een peilloze diepte. Want door het geloof van deze vrouw riep de Vader Jezus over de grenzen van Israël naar de heidenwereld. De vrouw is in de volharding van haar gebed, in haar geduld, in haar gelovig vertrouwen, maar ook in haar verhoord worden een beeld van de toekomstige Kerk, en daarin een zuster van Maria.
In het geloof is het de aanhouder die wint. Zo’n aanhoudend gebed is uiting van “groot geloof.” Haar groot geloof geeft het niet op. Laten ook wij het niet opgeven, laten ook wij niet ophouden met bidden. Bidden met groot geloof, in aansluiting bij het geloof van de Kerk, die niet alleen gelooft dat God ons kán verhoren, maar dat Hij ons ook wíl verhoren, omdat Hij goed en barmhartig is.

Zoeken in Preken Online