Er kunnen zich in een mensenleven omstandigheden voordoen die een radicale wijziging in je leven teweegbrengen. Franciscus bijvoorbeeld had altijd gehoord dat een melaatse zwaar besmettelijk was en dat je dus uit zijn buurt moest blijven, Hij vond een melaatse ook verschrikkelijk. Hij walgde ervan. Hij vermeed het een melaatse te ontmoeten. Totdat hij ineens tot de ontdekking kwam dat een melaatse ook een mens is, net als hij. En dat hij ook melaats had kunnen zijn. Toen heeft hij zich omgekeerd. Hij liep naar een melaatse toe, en speelde het zelfs klaar die melaatse te omhelzen. En toen - en dat noemt hij het beslissende moment in zijn leven - ondervond hij, dat wat zo walgelijk voor hem was, zoet werd naar ziel en lichaam. Voortaan zou hij melaatsen niet meer vermijden.
Zoiets is gebeurd in het leven van Jezus. Wij zijn gewend te denken, dat Jezus, die Gods Zoon was, zich nooit vergist heeft. Dat hij van meet af aan wist wat hij moest doen. Maar hij is ook gegroeid. Er staat ergens in het evangelie: ‘hij groeide in welbehagen bij God en bij de mensen’. Jezus voelde zich aanvankelijk geroepen zijn blijde boodschap te brengen aan zijn volk, aan het joodse volk. Hij demonstreert dit duidelijk in het eerste verhaal over de wonderbare spijziging. Dit overweldigende wonder heeft hij in eerste instantie alleen voor het joodse volk verricht.
Maar dan gebeurt er iets, dat een radicale wending in zijn leven brengt. Hij ontmoet een Kananese vrouw, dus een heidense vrouw. Deze vrouw smeekt hem haar dochter te genezen. Jezus negeert haar echter volkomen. Toen de vrouw aanhield, gaf hij haar een bruut antwoord: ‘Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bedoeld is, aan de honden te geven’. Een vreselijk antwoord van Jezus. Een duidelijke vergissing van hem. De vrouw wordt echter niet kwaad om dit antwoord, maar haakt erop in. Ze zegt: ‘Toch wel, Heer, want de honden eten toch ook van de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen’. Dat antwoord geeft Jezus een schok. Het brengt een radicale wijziging in zijn leven. Jezus keert zich als het ware om. Je zou kunnen zeggen: Jezus bekeert zich. Hij zegt: ‘Vrouw, wat hebt ge een groot geloof. Uw verlangen wordt ingewilligd'.
En kort daarna verricht Jezus een tweede wonderbare spijziging, nu voor de heidenen.
Het is of Jezus wil zeggen: sorry, mensen, ik heb mij vergist. Ik ben niet alleen gezonden tot de joden, maar tot alle mensen.
Als hem dit nu is overkomen, waarom zou het ons niet kunnen overkomen? Een radicale wijziging in onze houding ten opzichte van mensen. Zoiets als bij Franciscus. Dat wij tot het besef komen dat kinderen in de derde wereld onze kinderen hadden kunnen zijn. Dat het verschrikkelijk is dat deze kinderen verkommeren, en dat deze kinderen met hongeroedeem ons toeroepen: ‘Mogen wij niet eten van de kruimels die van jullie tafel vallen?'
Zo’n ervaring zou onze houding wel eens radicaal kunnen veranderen.
Jezus keerde zich om. Het is nodig dat wij ons ook omkeren.