Hij en fascisme

A-cyclus · Tijd door het jaar · 20e zondag · groen

Iedereen weet wat het idee fascisme behelst. Niet iedereen weet waar het woord vandaan komt. Het woord komt van het Latijnse fascis, hetgeen ‘bundel’ betekent. Het werd gebruikt voor de bundel stokken of pijlen die men in het oude Rome voor hogere militairen uit droeg om aan te geven over hoeveel manschappen ze commandeerden. Ze functioneerden zoals onze sterren op de schouders, en onze strepen op de mouwen van hogere militairen.

Het is zo dat dit woord zijn tegenwoordige betekenis kreeg. Fascisme staat voor een houding waarin een groep van mensen zich afzondert van anderen, zich beter voelt en al die anderen discrimineert.

Fascisme is de grondoorzaak van bijna alle moeilijkheden in de wereld. Het is de oorzaak van racisme, tribalisme, nepotisme, apartheid, en zelfs van ‘nationaal’-socialisme, waarbij een staat haar inrichting organiseert alsof ze de enige menselijke groep op aarde is.

Met die situatie wordt Jezus in onze evangelietekst geconfronteerd. De confrontatie is keihard. Jezus gebruikt zelfs het woord ‘hond’ voor andere mensen. Een typisch fascistisch woordgebruik!

Wat gebeurde er? Jezus had Galilea verlaten en was in de heidense streek rond de steden Tyrus en Sidon. In het evangelie van Marcus horen we dat hij zich daar ophield omdat hij alleen wilde zijn met zijn leerlingen. Plotseling herkent een Kananese vrouw, die een oncontroleerbare tienerdochter thuis heeft, hem. Ze begint hem achterna te roepen. Ze roept eerst: ‘Mijnheer’, maar dan voegt ze daaraan toe: ‘Zoon van David!'

In de mond van zijn landgenoten klonk dat als een eretitel. Klonk het zo ook uit de mond van een vreemdeling?

Laten we onszelf de situatie voorstellen. Als ik in de stad van een vreemd land zou lopen, ergens in Afrika bijvoorbeeld, en iemand zou me ‘Hé, blanke!’ achterna roepen, dan zou ik dat erg vervelend, zo niet beledigend, vinden. En als iemand je achterna zou lopen in een vreemd land, roepend: ‘Hé, Hollander!’ dan is het ook niet leuk om op een dergelijke manier geïdentificeerd te worden.

Jezus deed wat velen van ons onder dergelijke omstandighe¬den zouden doen. Hij reageerde niet. Hij wandelde verder, hopend zo van haar verlost te worden. Maar ze liet hem niet gaan. Ze liep hem achterna en bleef maar roepen. Totdat zijn leerlingen er genoeg van kregen en tegen hem zeiden: ‘Kun je niets voor haar doen? Iedereen begint op ons te letten. Geef haar wat ze wil, en laten we van haar af proberen te komen.’ Hij antwoordt hun: ‘Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van het huis van Israël gezonden.’ Alsof hij wil zeggen: ‘Ze noemt me een jood, waarom zou ik me dan met een niet-joodse bemoeien?’ Maar hij houdt stil en de vrouw valt hem met haar verzoek voor zijn voeten. En dan zegt Jezus haar iets waarvan het moeilijk te geloven is dat het uit zijn mond kwam. Hij zegt haar: ‘Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de honden te geven!’

Dit keiharde gezegde wordt ietwat verzacht omdat de tekst een verkleinwoord voor honden gebruikt, en omdat het over familiehonden gaat, maar de heidenen blijven honden genoemd worden.

Geen enkele commentator weet precies waarom Jezus dat deed, hoewel ze er allerhande verklaringen voor hebben. Ik weet het ook niet. Maar ik zou willen voorstellen dat hij de heidenen ‘honden’ noemde om op een conse¬quente manier te reageren op dat ‘jood’-geroep van de vrouw in kwestie. Zij kwalificeerde hem als behorend tot een groep. Hij op zijn beurt doet dat nu met die vrouw. Misschien was het om haar te laten zien hoe vervelend en ongepast zo iets overkomt.

Zo gauw als wij de verschillende etnische groepen als uitgangspunt nemen in onze gesprekken dan vallen - helaas - die woorden ‘hond’, ‘varken’, en ‘ongedierte’ bijna automatisch. Je behoeft maar naar dat soort van gesprekken om je heen te luisteren om dat te weten.

De vrouw moet aangevoeld hebben dat er iets misgelopen was. Ze moet begrepen hebben dat zij het was, die de mensheid in groepen en cirkels verdeeld had. Dat ze lijnen getrokken had, die er niet hadden moeten zijn, en dat ze categorieën gebruikt had die niet te pas kwamen. Ze zegt: ‘Mijnheer, hebben de honden dan geen rechten in een familiehuis?’, of met andere woorden: ‘Worden joden en heidenen niet beiden gevoed door God?’ Zo gauw als Jezus deze universaliserende woorden van de vrouw hoort, zegt hij: ‘Vrouw, je hebt een groot geloof! Je verlangen wordt ingewilligd!’ Haar dochter genas. De boze geest die haar terroriseerde verliet haar op het ogenblik dat haar moeder geen discriminerende taal meer sprak, en die boze geest haar verlaten had. Zo lang als zij op een ‘fascistische’ manier tegen Jezus sprak, kon Jezus niet met haar praten. Toen ze begon te spreken over dat ene familiehuis waarin we allemaal wo¬nen, had hij de taal om dat wel te doen.

Het is het ene huis dat ook in Jesaja’s tekst vandaag vermeld wordt. Het huis van God, een huis van gebed, een huis van gebed voor alle volken. Een huis waar we nu al hier in deze wereld aan moeten werken, zodat alle racisme, fascisme, apartheid, discriminatie, en nepotisme uit onze straten en van onze pleinen verdwijnen en het geschreeuw van ‘hé, jood’ nooit meer gehoord wordt.

De Kananese vrouw ging naar huis. Haar dochter die hysterisch aan het schreeuwen was toen ze haar huis verliet, schreeuwde niet meer. Ze was kalm, ze was genezen. Ze zat heel vredig rechtop in haar bed. De mensheid was weer van een kwaad verlost. Dat het zo moge zijn!

Zoeken in Preken Online