Graag had ik iets gezegd over Jesaja maar dat verhaal van het evangelie, van Jezus en die vrouw, kan ik echt niet overslaan. Niet omdat het zo mooi is maar omdat het zo sterk is. Het is inderdaad een sterk verhaal. Niet zozeer vanwege die genezing want dit is geen genezingsverhaal. Dit is een bekeringsverhaal. Een bekeringspreek. Het is zelfs een model van een preek. Ze zullen niet tegen de slaap hebben gevochten.
Ik zie het bijna letterlijk gebeuren in een samenkomst zowat rond de jaren 70. De leerlingen die Jezus zijn gevolgd, zijn Joden, volksgenoten. Veertig jaar later zijn de vreemdelingen niet meer te tellen. Zij geloven ook in die Jezus.
Zij zitten nu samen in de synagoge. Met echte vreemden, ex-heidenen, Grieken, Samaritanen en anderen. Ook uit de Maghreb-landen van toen. Samen op dezelfde bank in de klas. Om te luisteren en om samen dezelfde liederen te zingen. Beschaafde gebeden en dialectwoorden in één dienst. De Joden, de eerste erfgenamen, de getrouwen van het eerste uur, hadden er last mee. Een zekere allergie voor die bij-komers, die de oude verhalen niet zo goed kenden omdat ze niet in hun bloemlezing stonden zoals bij de vrienden van Jakobus en Simon. Hoe zal Matteüs hen leren? Met welk argument zal hij de allergie genezen? Hij doet het met een verhaal, wat dacht u anders?
Zijn argument is dwingend. Jezus vraagt het niet zomaar om samen te leven met de vreemde broeder en zuster. Hij heeft het probleem zelf gekend, hij heeft er zelf mee geworsteld, hij heeft er zelf mee afgerekend. Het was voor hem ook niet vanzelfsprekend om vanuit zijn opvoeding thuis en op school zomaar gehoor te geven aan de vraag van een heidense vrouw. Het was voor hem ook niet evident om over de grenzen te gaan. Voordat hij leerde, heeft hij het zelf moeten leren. Hij dacht ook, dat het heil allereerst voor de kinderen van Israël was. Hij sprak ook van het brood voor de eigen huisgenoten en voor de kruimels voor de vreemde honden. Zo had hij het op school geleerd en hij was een goed leerling.
Maar er is met hem iets gebeurd. Hij heeft een vrouw ontmoet, een Helleense vrouw, van over de grens. Omdat hij goed luisteren kon, omdat hij een goed leerling was - zoals vroeger in de tempel - kon hij ook luisteren naar de vrouw die nood had. Eerst heeft hij op een rijtje uitgesproken wat hij van huis uit wist. Gods uitverkiezing was primair aan één volk gebonden, maar ’nood breekt wet’. Als een vrouw, een moeder, het mag nog een vreemde zijn, een dochter heeft die ziek is en genezing zoekt, dan kan het hart van God niet nee zeggen. Dan moet het maar eens en voorgoed gedaan zijn met te spreken van vreemde luizen of vreemde honden. Dan geeft men geen dierennamen meer, ook niet aan een vrouw uit Sidon en Tyrus en ook niet aan haar kind dat ziek is. Op die nood niet ingaan betekent zoveel als zeggen, dat God maar op één vierkante meter genadig is en dat die genadigheid ophoudt aan een staatsgrens. Het is alsof Matteüs zeggen wil: bekeer u tot de mens van over de taalgrens. Jezus heeft dat voorgedaan omdat hij met hetzelfde probleem heeft gezeten en omdat hij het heeft opgelost. Die vrouw met haar kind heeft hem de ogen geopend.
En omdat evangelie evangelie is, gaat het hier niet allereerst over racisme en vreemdelingenhaat, ook niet over een verruimingsoperatie in ons politiek programma. Het gaat altijd om ons zicht op wie God is. Hij is een God van heil en dat heil kan en wil Hij aan niemand onthouden.
Onze God is letterlijk kat-holiek. Hij is op het geheel - kata holos - gericht.
Lieve luisteraar, als je doof bent voor de stem van de vrouw en blind voor de ziekte van het kind, ben je ook doof en blind voor God Zelf. Het zou wel eens kunnen, dat Hij dan ook doof en blind is voor je mooiste gebeden. Wees niet bij-ziend maar vér-ziend. Dan pas komt God in je gezichtsveld!