Shockerend. Die vrouw spreekt Hem nochtans fatsoenlijk aan: ‘Heer, Zoon van David.’ Ze schreeuwt haar ellende uit: ‘Mijn dochter is vreselijk bezeten.’ Van iemand als Jezus zou men minstens verwachten dat Hij zo’n radeloze vrouw welwillend aanhoort en bemoedigend toespreekt. Maar Jezus geeft helemaal geen antwoord. De leerlingen vragen dat Hij haar zou wegsturen en Hij spreekt hen niet tegen. Blijkbaar is Hij alleen gekomen voor de verloren schapen van Israël, voor zijn volksgenoten dus. Daar hoort die vrouw niet bij. Dat wordt haar met een cynische uitval duidelijk gemaakt: ‘Jij behoort tot de honden, het brood van de kinderen is niet voor jou bestemd.’ In de mond van de grote mensenvriend is dit haast onuitstaanbaar.
Waarom doet Jezus dat! Deelt Hij de courante opvattingen van zijn volk, dat zichzelf beter acht dan de ‘heidenhonden’! Is Hij er inderdaad van overtuigd dat Hij zijn zending moet beperken tot de twaalf stammen van Israël! Er zijn wel meer aanwijzingen in die richting. Of wil Hij die vrouw gewoon testen op haar geloof! Meent zij het werkelijk! Heeft zij echt het volle vertrouwen in Hem!
Hoe dan ook, de vrouw loopt niet weg, maar komt naderbij en werpt zich voor zijn voeten. Het scherpe verwijt vangt zij uiterst handig op: ‘Laat me dan een hond wezen, honden eten toch ook de kruimels die van de tafel vallen.’ Een dergelijk vertrouwen breekt Jezus’ tegenzin en weerstand. Ook elders verbaast het Hem soms dat Hij bij heidenen een groter geloof aantreft dan bij zijn eigen volk. Aan mensen met zulk een groot vertrouwen kan Hij geen weerstand bieden: ‘Vrouw, groot is uw vertrouwen. Moge het u vergaan zoals u wenst.’
Dit verhaal nodigt ertoe uit óns omgaan met God van na¬derbij te bekijken. Hoe vol vertrouwen wij ook met de Heer omgaan, toch ervaren we dat Hij niet meteen op onze vragen en gebeden ingaat, zelfs als we in acute nood zijn en geen uitweg meer zien. Hij laat ons in de steek, luistert niet naar ons smeken. En als we eerlijk in ons eigen hart kijken, moeten we zelfs toegeven dat Hij daartoe alle reden heeft: wij zijn het niet waard dat Hij naar ons luistert. Maar vaak gaan we niet zo ver in onze eerlijkheid tegenover God en keren we ons kwaad en ontgoocheld af als Hij ons niet verhoort.
Als God evenwel werkelijk Heer is, mag Hij dat dan niet laten voelen? Is God pas waard onze God te zijn als Hij netjes en beleefd doet wat wij Hem vragen? Is Hij dan eigenlijk wel onze Heer? Of zijn wij dan heertjes (en dametjes) die Hem in dienst nemen als het ons goed uitkomt? Er komen momenten waarop God laat voelen dat Hij de Heer is, niet wij. Dan valt er van die Kananese vrouw heel wat te leren: nederigheid, ootmoed en… handigheid. Het geloof voert ons binnen in de menslievendheid van God, maar die blijft ook altijd gehuld in het mysterie van zijn ondoorgrondelijk anderszijn.