Wat wij zojuist gehoord hebben in het evangelie is het einde van de parabelrede van Jezus. Wij herinneren ons die parabels nog wel. Het ging over een zaaier, die uitging om goed zaad te zaaien; over het onkruid en de tarwe, over het mosterdzaadje, over gist. Eigenlijk behandelden ze allemaal hetzelfde: het koninkrijk der hemelen. En ze worden steeds korter. Jezus kan het haast niet krachtiger zeggen. In alle mogelijke beelden probeert hij te laten aanvoelen wat dat rijk is, waar hij zoveel waarde aan hecht, en waar hij zich zo voor inzet. Het rijk der hemelen is een kostbare schat, een schitterende parel. Wij moeten er alles voor over hebben om die schat te vinden, om die parel te kunnen kopen. Dan is het goed. Wij moeten zorgen dat we bij dat rijk der hemelen horen, anders hebben we geen deel van leven.
En dan vraagt de Heer: hebt gij dit alles begrepen? De leerlingen antwoorden: ja. Maar we weten dat er nog heel wat moest gebeuren voor ze het inderdaad begrepen hadden. Met ons is dat ook zo. Wij zeggen dat we deze parabels begrijpen. Maar een andere vraag is of deze verhalen ook onze levensverhalen zijn. Of deze verhalen ons uit het hart gegrepen zijn.
Wij begrijpen dat het rijk der hemelen een rijk van liefde is, waar ruzie iets onbekend is. Wij begrijpen dat dit een samenleving van mensen is die alleszins de moeite waard is. Wij zouden het heel mooi vinden als een door onze maatschappij melaats verklaarde mens werd opgenomen in de gemeenschap. Wij zouden het prachtig vinden als een overspelige man of vrouw vergeving zou krijgen. Wij zouden het schitterend vinden als we helemaal van elkaar op aan konden, en dat een ‘ja’ ja betekent, en een ‘nee’ nee. Wij zouden het geweldig vinden als je aan iemand vroeg om één mijl mee te gaan, dat zo iemand dan spontaan zou zeggen: ik ga twee mijl met je mee. Kortom wij begrijpen dat het rijk Gods een samenleving is die de moeite waard is.
Maar of wij het zó begrijpen, dat wij iemand die wij melaats hebben verklaard, in onze gemeenschap opnemen, of dat wij aan onze overspelige man of vrouw spontaan vergeving schenken; of dat wij twee mijl meegaan met iemand die ons vraagt één mijl mee te gaan, is een heel andere vraag. Wij zijn geneigd te zeggen: het moet ook haalbaar zijn. Welnu, als wij dat zeggen dan moeten wij aan Jezus antwoorden: nee, wij begrijpen het nog niet. Help ons een beetje dat wij het gaan begrijpen.