‘Zij die de verhalen vertellen beheersen de wereld’, schreef een Indiaanse Navajo-schrijfster als inleiding op een reeks door haar verzamelde inheemse Amerikaanse verhalen. De verhalen die zij bij elkaar gebracht had, kwamen voort uit haar eigen platgetrapte en uitgerangeerde cultuur. Ze kwamen van de onderkant van de Amerikaanse samenleving. Het zijn geschiedenissen, die verschillen van de verhalen die Amerikanen gewoonlijk over hun land vertellen. Die verhalen - en de berichtgeving die op dergelijke verhalen gebaseerd is - bevestigen vooral de situatie zoals die beleefd wordt door de bemiddelde doorsnee Amerikaan uit de middenklasse. Het zijn verhalen die niets nieuws beloven. Ze legitimeren alleen maar het bestaande. Het zijn ‘veilige’ verhalen. Ze bevorderen en verstevigen de status quo.
Dat is niet alleen maar waar in Amerika. Het geldt in ieder land. Je kunt het zeggen van iedere wetenschap. Het is waarneembaar in bisschoppelijke rondzendbrieven en in pauselijke encyclieken. Het geldt voor de theologie. Het is ook vaak waar van ieder van ons. Luister maar naar de verhalen die we elkaar op het werk vertellen, thuis en in het café. Let eens op de verhalen die ouders aan hun kinderen vertellen, en predikanten vanaf de preekstoel.
Wat vertel je aan elkaar, aan je kinderen, en van de preekstoel? Zijn het verhalen die de huidige situatie verder helpen schragen, of zijn het beschrijvingen van situaties die de rust van de status quo dreigen te verstoren? Is het een oud verhaal, of is het iets nieuws?
Op het einde van zijn reeks parabels in het evangelie van Matteüs geeft Jezus zijn idee over dit alles. Hij vertelt ons wat we geacht worden te doen. Bij hem is dat geen pretentie. Het is wat hij zelf doet. Tot ergernis van velen van zijn tijdgenoten gaat hij om met de onderkant van zijn eigen maatschappij, prostituees, tollenaars, arm vissersvolk, en mensen die religieus en godsdienstig in de ogen van de gevestigde burger minstens verdacht zijn. Messentrekkers en oproerkraaiers.
Wil hij op die manier ook de aandacht van anderen richten op de onderlaag van de bevolking. en op de manier waarop zij de wereld zien en hun verhaal vertellen? Zijn dat wellicht de mensen die het meest openstaan voor iets nieuws? Is bij hen de honger en dorst naar rechtvaardigheid en heiligheid het gevoeligst en het meest open?
Als Jezus zijn lange reeks parabels over het koninkrijk heeft beëindigd, heeft hij een vraag voor hen. De vraag is: ‘Hebben jullie dit alles begrepen?’ Hun antwoord is: ‘Ja.’ Matteüs merkt vaker op dat zijn leerlingen Jezus begrijpen. Wat dat betreft verschilt Matteüs van Marcus, die steeds weer zegt dat zijn leerlingen hem niet begrijpen. Bij Matteüs begrijpen ze hem wel. En het is nadat ze dit gezegd hebben, dat Jezus dan zegt: ‘Ieder die onderwezen is in het rijk der hemelen is gelijk aan een huishouder die nieuw en oud te voorschijn haalt.'
Dat woord huishouder (in het Grieks oikodespôtês) dat Jezus hier gebruikt voor zijn leerlingen, is een term die Jezus ook voor zichzelf gebruikt in vers 27, als hij hun vertelt hoe de knechten van de ‘huishouder’ (oikodespôtês), die het goede zaad in zijn veld gezaaid heeft, hem komen vertellen dat er onkruid in zijn veld staat. De leerling moet zijn zoals zijn meester! Zij moeten - zoals hij - nieuw en oud te voorschijn halen. Dat nieuwe haal je niet te voorschijn als je alleen maar het bekende verhaal vertelt. Dat doet Jezus dan ook niet. Dat nieuwe vind je niet eens in je eigen kring. Het nieuwe komt van elders. Daarom verkeert Jezus niet alleen in zijn eigen kring.
De grootste uitdaging aan de wereld en aan de kerk waaraan wij gewend zijn, komt vandaag de dag vooral van christenen in Afrika, Latijns-Amerika, Azië, van minderheidsgroepen, en van de feministische theologie. Het zijn die nieuwe verhalen, die beluisterd en doorverteld moeten worden. Als we alleen maar het oude liedje blijven zingen, houden we op de plaats rust.
De bekoring om dat te doen is groot. Als theologen, predikanten, en gelovigen die ten aanzien van andere verhalen niet thuis geven, dan zitten ze fout. Net zo goed als de journalisten, politici en zakenlui die dat zouden doen. Dan zijn ze geen goede ‘huishouders’ en geen goede ‘huishoudsters’ in onze grotemensenfamilie.