Een elitekerk of een volkskerk?

A-cyclus · Tijd door het jaar · 17e zondag · groen

Op het einde van dit evangelie vraagt Jezus aan zijn leerlingen: ‘Hebt gij dit alles begrepen?’ En zijn leerlingen antwoorden: ‘Ja’. Dat doet mij denken aan een klein joods verhaaltje. Als Levi, tegen de wil van zijn schoonvader, voor de eerste keer naar Rabbi Schmelke van Nikolsburg ging, vroeg die hem smalend bij zijn terugkeer: ‘Nu, en wat heb je bij hem geleerd?’ - ‘Ik heb geleerd,’ antwoordde Levi, ‘dat er een Schepper van de wereld is’. De oude man riep spottend zijn knecht en vroeg hem: ‘Weet jij dat er een Schepper van de wereld bestaat?’ - ‘Ja,’ zei de dienaar. ‘Zeer zeker,’ zei Levi, ‘iedereen zegt dat, maar niemand geeft zich de moeite om te weten wat dat zeggen wil.’

Zo kennen wij ook de parabels van Jezus, maar weinigen van ons weten wat ze ons eigenlijk te zeggen hebben. Wij beweren wel dat wij ze begrijpen, zoals de apostelen, maar we leven er niet naar. Daarom willen wij samen een beetje nadenken over de kleine parabel van Jezus van het visnet met allerlei soorten vissen. Jezus heeft die parabel uitgesproken tegen de vromen van zijn tijd, die niet konden verwerken dat Jezus omging met zondaars en tollenaars. Jezus stoot de zondaars niet uit, Hij laat de goeden en slechten samenleven. Er is een tijd, zegt Jezus, waarin de goeden en de slechten in een groot sleepnet verzameld worden en er is een andere tijd, pas nadat het net vol is, dat de vissen op het strand getriëerd worden in goeden en slechten. Dat gebeurt door God alleen bij het eindoordeel.

Deze parabel heeft nog niets van zijn actualiteit verloren. Telkens weer duikt in de kerkgeschiedenis de opvatting op van een elitekerk. De Kerk mag enkel bestaan uit volmaakte mensen, voor zondaars kan daarin geen plaats zijn. Als mensen niet meer naar de kerk komen, dan moeten ze hun kindje ook maar niet meer laten dopen, dan moeten ze ook niet meer in de kerk trouwen. Wat heeft het dan voor nut om zich kerkelijk te laten begraven?

Meer dan ooit is onze maatschappij een pluriforme maatschappij, waarin gelovigen samenleven met ongelovigen, zondagschristenen met randchristenen, heiligen met schijnheiligen, conservatieven met progressieven en zo konden we verder gaan. Maar wie zou tussen die bonte groeperingen een scheidingslijn durven trekken tussen goeden en slechten? Wie durft de mensen van de ene groep goed noemen en de mensen van de andere groep slecht? God alleen, die hart en nieren doorgrondt, kan die scheidingslijn trekken.

Zolang de wereld blijft bestaan, zullen er ook allerlei soorten mensen blijven bestaan, en wij moeten leren leven met die werkelijkheid zonder ons een oordeel aan te matigen over het gedrag van de anderen. In onze tijd is dat bijzonder moeilijk omdat wij in een tijd leven waarin de maatstaf van goed en kwaad geen rol meer schijnt te spelen. Onze tijd heeft heel andere maatstaven uitgezocht, de maatstaf van persoonlijkheid, prestatie, intelligentie. Lees maar eens in de krant welke maatstaven aangelegd worden bij de beroepswerving. Wordt gevraagd: een creatieve persoonlijkheid, een organisatorisch talent, een verzorgd voorkomen. Wat iemand in zijn privé-leven doet, is zonder enig belang. Eigenlijk gaan al die eisen aan het wezen van de mens voorbij. De kernvraag zou eigenlijk toch moeten blijven: is het een goed mens of een slecht mens? In de film en de litteratuur gaat men tegenwoordig zelfs zover dat terroristen heilig verklaard worden. Dokters die aan de lopende band vruchtafdrijvingen uitvoeren, krijgen een foto op de voorpagina, mensen met een driehoeks- of een zes-hoeksverhouding worden filmhelden. De boosheid van een moord of roofoverval dekken wij toe met de mantel van neurose, erfelijkheid of een belastend complex.

In zo’n wereld leven wij en toch mogen wij de scheidingslijn tussen goed en kwaad niet trekken. Maar dat wil niet zeggen dat er geen oordeel geveld zal worden over het doen en laten van ieder mens. Gods uur komt, dat is zeker en dat er een eindafrekening komt, is ook zeker. Jezus zegt dat de engelen die scheiding zullen uitvoeren. Engelen zijn hier niets anders dan de personificatie van Gods gerechtigheid. Jezus spreekt een taal die de mensen van zijn tijd verstaan, zo zijn ook de woorden van vuur, geween en tandengeknars tijdsgebonden, dat zijn beelden, maar de werkelijkheid van het oordeel kunnen we niet in twijfel trekken. Jezus spreekt 25 keer over de hel en wat Jezus daar zeker mee bedoelt, is dat de mens zijn einddoel kan missen, dat je van God gescheiden kunt worden en dan is de mens nergens meer. Het zal de slechten niet altijd goed gaan. God laat niet altijd met zich spotten. Hij beloont het goede en straft het kwade. Het is goed dat wij in tijden van bekoring daaraan blijven denken. Wij weten dat allemaal wel, maar het is goed dat we het begrijpen. Dan zullen we toegeeflijk zijn in ons oordeel.

Zoeken in Preken Online