16e zondag door het jaar A

A-cyclus · Tijd door het jaar · 16e zondag · groen


Jezus geeft de leerlingen en de menigte weer drie parabels te horen. Alle drie spreken ze over het Rijk der hemelen, de Kerk die Jezus sticht. Ze spreken over de wondere groei ervan, over God die zijn plan zeker ten uitvoer brengt.

Jezus citeert hierbij een psalm: “Ik zal mijn mond openen in gelijkenissen, ik zal openbaren wat verborgen is geweest vanaf de grondvesting der wereld”. Zo begint dat mooie lied van Israël, dat de genade van het Oude Verbond bezingt, vanaf de bevrijding uit Egypte, tot aan de uitverkiezing van koning David, in wiens huis de Messias zou geboren worden.

Er is al vaak opgemerkt dat Jezus’ tijd zwanger was van de openbaring, van Godswege, van wat verborgen was sinds eeuwen, ja, “vanaf de grondvesting der wereld”. Er heerste een algemeen gevoel onder de joden, dat God toen op het punt stond zich te manifesteren, dat Hij zich met macht zou openbaren en dat Hij een nieuwe tijd zou inluiden, dat die tijd de laatste zou zijn voor de wereld, een tijd waarin Hij zelf zou heersen, het kwaad zou uitroeien in Israël en er buiten, een tijd waarin zijn Messias zou regeren.

Jezus’ gelijkenissen spreken over die tijd. Ze zeggen dat hij met Hem is aangebroken, dat “het Rijk der hemelen” met Hem begonnen is en dat het onweerstaanbaar zal groeien en bloeien tot op het einde van de wereld en van de tijd, als het koren waartussen ook het onkruid tiert, als een mosterdzaadje dat een grote boom wordt, als gist die al de tarwebloem doordringt, om er schone, welriekende broden van te bakken.

Het psalmlied dat Jezus citeert is een profetie. Terecht zegt Hij: “opdat in vervulling zou gaan het door de profeet gesproken woord”. Jahwe, Israëls God, is altijd trouw geweest en Hij zal dat ook in de toekomst zijn: Hij zal zijn Verbond vernieuwen door Jezus. Opnieuw en voor altijd en voor iedereen zullen leven en goedheid tieren, sterker dan alle onkruid van dood en kwaad. De gelijkenissen spreken alle drie over dat leven dat God onstuitbaar geeft, over de goedheid die tiert waar het leven tiert.

De Rechtvaardige is “een vriend van de mensen”, die “daar waar gezondigd wordt, de kans tot inkeer biedt”, schrijft de Wijsheid. De rechtvaardige God is goedertieren en het Verbond dat de Messias, de Rechtvaardige, in zijn bloed vernieuwt, is goedertierenheid. Het is over die goedertierenheid dat Jezus parabelt. Niet alleen de joden, maar alle mensen ter wereld kunnen haar aanvaarden of verwerpen. Het is wat vroeger gebeurde, het is wat nu gebeurt, telkens als Jezus’ woord gehoord wordt in de Kerk, tijd en ruimte van Jezus’ vernieuwing.

De parabels waarschuwen ons ook Gods goedheid en geduld juist in te schatten. Hij heeft geduld met het onkruid, maar de tijd komt, - en Jezus herhaalt het na velen die spraken en schreven in zijn tijd -, dat het oordeel wordt uitgesproken, dat “het onkruid wordt bijeengebracht en in het vuur verbrand”.

Is het te sterk gezegd dat wie zijn naaste oordeelt vóór de tijd en zich zo in de plaats stelt van Hem die zijn Kerk op het einde zal oordelen, de parabel van het onkruid niet wil begrijpen? Hij trekt het onkruid uit vóór de tijd. Zo doet ook de leerling die de zondaar afschrijft omwille van zijn fouten, soms van zijn vele fouten.

Is het te sterk gezegd dat wie de boom ziet groeien en bloeien en nergens meedoet aan een initiatief van de missie, totaal onwetend blijft over de uitbreiding van zijn eigen Kerk in de wereld van de heidenen, de parabel van het mosterdzaadje niet begrijpt en naast zich neerlegt? Hij kiest zijn tak en verjaagt al wie wil nestelen.

Is het te sterk gezegd dat wie de geheime kracht van de gist kent, Gods werking in de Kerk en in zijn eigen leven, en toch banaal en oppervlakkig blijft leven alsof aan hem niets geschiedt, de parabel van de gist niet wil beluisteren? Hij heeft oren en hij luistert niet.

Laten we met open hart het Woord beluisteren en eucharistie vieren.

Zoeken in Preken Online