Het is, denk ik, de droom van elke predikant
dat zijn preken honderdvoudige vrucht zouden voortbrengen
dat zijn toehoorders zijn woorden heel nauwgezet zouden waar maken
in hun gewone leven van alle dag.
Wat zou de wereld er dan anders uit zien!
Het is natuurlijk een onmogelijke droom, iets dat gewoon niet kan.
Jezus van Nazaret was een geweldige predikant
die echt de taal van de gewone mensen sprak, maar hij was realistisch genoeg
om te beseffen dat honderdvoudige vrucht bij iedereen onmogelijk was.
Daar is deze gelijkenis een bewijs van.
Het is de taak van een predikant om zijn toehoorders aan het denken te zetten,
uiteraard met de hoop dat ze er iets mee doen, dat ze vruchten dragen.
Maar honderdvoudige vrucht verwachten, gaat te ver en dat kan ook niet.
Vaak wordt deze tekst gezien als een veroordeling
aan het adres van slechte luisteraars, bij wie het zaad niet vruchtbaar is.
Toch denk ik dat Jezus hier geen veroordeling heeft willen uitspreken
maar veel meer een nuchtere constatering van het feit
dat Gods woord niet altijd de uitwerking heeft die je zou hopen.
Het gaat niet om een beschuldigende vinger naar al die mindere goden.
Het beeld van de zaaier is ook niet gesitueerd in ons vruchtbare landje,
waar de akkers met zwarte vruchtbare aarde er keurig geploegd bij liggen, tegen de tijd dat er gezaaid moet worden.
In het Palestina van toen waren het maar hele armzalige akkertjes,
een mengeling van stenen, rotsachtige plekken, distels en dorens
en ook nog wel wat min of meer vruchtbare stukken land.
Op de ene plek krijgt het zaad wel de kans om uit te groeien,
op een andere veel minder of helemaal niet.
Zo is het ook bij de mensen, zegt Jezus. De meesten zijn van goede wil,
mensen die in zijn algemeenheid best het goede willen,
die best vruchten van goedheid willen voortbrengen,
maar vaak lukt dat door allerlei omstandigheden gewoon niet.
Soms misschien een beetje door eigen schuld,
maar veel en veel vaker door onmacht.
In deze context is het wellicht goed om onszelf wat vragen te stellen.
Is het onze eigen verdienste als wij min of meer brave oppassende burgers zijn,
en geeft ons dat het recht om neer te zien op de mindere goden,
die er vaak niet zoveel van bakken?
Is het onze verdienste dat we in een keurig katholiek gezin zijn geboren
dat onze ouders ons hebben opgevoed met waarden en normen?
We hadden ook geboren kunnen zijn in een crimineel milieu
of in een achterbuurt, waar men het niet zo nauw nam met waarden en normen,
en dan zouden we heel andere mensen geweest zijn,
maar zou dat dan onze schuld zijn?
M.a.w. we hebben nooit het recht anderen te veroordelen.
Laten we maar proberen ons eigen akkertje zo vruchtbaar mogelijk te maken.
En dan moeten we wel bedenken welke vruchten Jezus van ons verlangt:
zorg en aandacht voor elkaar, vooral voor hen die het moeilijk hebben,
mildheid in ons oordeel en geduld, ook jegens al degenen
die in onze ogen niet zo vruchtbaar zijn in hun leven,
verdraagzaamheid en welwillendheid, ook jegens de lastposten
in onze samenleving.
En we moeten ook bedenken dat de grens tussen goed en kwaad,
tussen vruchtbaar en onvruchtbaar niets zozeer tussen mensen loopt,
waardoor mensen in groepen onderverdeeld kunnen worden:
de goede en de minder goeden en de slechten.
Die grens loopt dwars door elke mens heen.
We hebben allemaal wel onze vruchtbare periodes
maar ook onze onvruchtbare
en in bepaalde zaken doen we het misschien best goed
en in andere weer wat minder,
vaak afhankelijk van allerlei omstandigheden buiten onze wil om.
Soms zijn we vruchtbare grond, soms een platgetreden pad,
soms met stekelige dorens en distels.
We zijn nu eenmaal ingewikkelde wezens
en we kennen onszelf vaak heel slecht.
Tot slot nog dit: een boer die zijn zaad uit zaait,
wil natuurlijk een zo groot mogelijke oogst want dat is in zijn voordeel.
Als God zijn woord uitzaait, dan is dat niet voor zijn voordeel
maar helemaal voor het onze, voor ons welzijn,
dat wij als individu en als samenleving er beter van worden.
15e zondag door het jaar A (2008)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 15e zondag · groen