Allen die door de Geest van God worden geleid, zijn kinderen van God' zegt Paulus in de eerste lezing.\ De Geest’ is in dit hoofdstuk bij Paulus het kernbegrip.
In de bijbel, met name in het O.T., is de Geest oorspronkelijk als beeldwoord verbonden met wind' en adem’.
Zo kreeg het de betekenis van dynamiek en leven.
Het bracht de inspirerende kracht van God tot uitdrukking, maar ook om een bepaalde visie op de mens uit te beelden.
`Toen maakte God, de Heer, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus’, staat in het eerste boek van de bijbel.
Voor Paulus een belangrijk gegeven, meer nog: een levensvisie.
De mens bestaat `als vlees’, schrijft hij letterlijk, maar zonder de levensadem,
de Geest van God, leeft de mens niet ten volle.
Hij stelt niet, zoals veel Griekse tijdgenoten wel deden, twee delen van de mens tegenover elkaar, lichaam tegenover ziel, maar hij zegt, er zijn twee wijzen van bestaan: die van de mens die vervreemd is van de levengevende God en zich afsluit in zijn eigen vergankelijk bestaan, die uitsluitend bedacht is op wat het eigen bestaan direct raakt, tegenover de mens die zich laat leiden door de levengevende Geest van God. Die mens leeft, zegt Paulus, in echte vrede.
Een kind van God ben je, wanneer je jezelf door die Geest laat leiden.
En ook hier baseert Paulus zich weer op de Schrift.
In de Joodse traditie gaat elk spreken over mensen als kinderen van God terug naar het boek Exodus.
Daarin laat God Mozes tot de Farao zeggen: Israël is mijn oudste zoon'.\ Mozes, als leider van het volk van Israël, zegt daar tegen de Farao:\ het volk Israël is voor Mij, wat voor jou je oudste zoon is.\ Paulus trekt die verhouding nu door tot mensen die niet tot het volk Israël behoren; hij schrijft zijn brief immers aan de Romeinen; en hij schrijft hen: ieder die zich door de doop aansluit bij de gemeenschap van Jezus treedt daardoor in een relatie met God als die van een kind tot zijn vader.\ Paulus trekt hieruit de bemoedigende conclusie:\ wij mogen God dus ook aanspreken met Abba, Vader’.
`Allen die door de Geest van God worden geleid zijn kinderen van God’.
Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat dit ook het centrale thema is van de evangelielezing van vandaag.
Immers, wanneer het zaad in goede grond valt, wanneer wij (het zaad) ons laten leiden door Gods Woord (de Schrift), door Gods Geest, dan brengen wij vruchten voort, dan zijn wij kinderen van God.
Wij zijn gezaaid om vrucht te dragen. Of dat lukt, hangt in belangrijke mate van onszelf af. Het is in ieder geval in ons gezaaid.
En de vraag is dan:
Zijn wij geworteld in de Schrift?
Is de bijbel onze voedingsbodem, onze leidraad in het leven, of laten we ons, zoals Paulus zegt, alleen maar leiden door onze eigen wil?
Vinden we het alleen maar prachtige verhalen, of willen we er ons in verdiepen,
willen we er in groeien?
Willen we onszelf erdoor laten inspireren, eruit leven, eruit handelen en zo tot bloei komen?
De clou van deze gelijkenis zit, zoals zo vaak, aan het eind.
De hoorders van Jezus, bekend met het zaaien en sappelen om een goede oogst, weten dat het tienvoudige een opbrengst is waar je tevreden mee mag zijn.
Jezus zegt echter dat de oogst ongelofelijk groot zal zijn wanneer wij leven vanuit de Schrift: dertig, zestig, ja, honderdvoudig.
We zullen vrucht dragen naar vermogen.
Ook hier dus een bemoedigende conclusie.
Zelf ervaar ik de gelijkenis als een uitnodiging.
Verdiep je in de Schrift, probeer er vanuit te leven, laat je erdoor inspireren. En je zult vruchtbaar zijn naar de maat van je vermogen.
Blijf niet opgesloten in jezelf. Wees ontvankelijk, laat je openbreken door Gods Woord, door de weg die Jezus is gegaan, dan ontkiem je gaandeweg.
Leef in de Geest van God, leef in de Geest van de Schrift.
Dat kunnen wij alleen maar met vallen en opstaan, maar leef in die Geest, dan ben je Gods kind zeggen Paulus en Matteüs ons vandaag.
Dat ook wij als gemeenschap leren ontvankelijk te worden voor Gods Woord, voor de geheimen van het koninkrijk der hemelen.
Dat we niet zo vol zijn van onszelf, dat we ziende blind zijn en voorbij lopen aan het wezenlijke.
Dat we niet alleen horen, maar ook verstaan, dat we niet kijken, maar zien.
Omzien!
Omzien naar hen die onze hulp zo hard nodig hebben, ver weg en héél dichtbij.
Omzien naar elkaar!
Zo wordt het kleinste zaad levend brood. Zó voedt de één de ander!