Beste dorpsgenoten,
Dezer dagen kreeg ik de missie en zendingskalender voor 2009 toegestuurd. Het thema er van is: “dromen van vrede en verzoening”. Hij staat vol met ontroerende schilderingen van Jafeth Gómez, een kunstenaar uit Colombia. Hij vertelt over zich zelf: “Het lukte me niet langer vanuit pijn en verdriet te schilderen. Ik was er ziek van. Ik had behoefte aan warmte. Na weet ik hoeveel kruiswegstaties begon ik toen omhelzingen te schilderen. Mannen en vrouwen, kinderen, groepen mensen die elkaar vasthielden. Dat was wat ik nodig had. Dat was wat de mensen in Colombia nodig hadden: Liefde en vertrouwen, vrede.”
Het is verreweg de mooiste kalender die ik gezien heb.
De lezingen van deze zondag spreken ons over zaad, zaaien en de opbrengst van de oogst.
De eerste lezing is een aandoenlijk
stuk: regen als een weldaad, die vruchtbaar maakt, de aarde met groen
bedekt, zaad geeft aan de zaaier en brood aan wie moet eten. Het
staat er zo eenvoudig en vanzelfsprekend: “brood aan wie moet
eten”. Alsof het niet anders zou kunnen gaan.
Het lijkt het
paradijs van voor de zondeval: het gaat allemaal vanzelf.
Als ik terugdenk aan toen ik klein was, dan viel er altijd te veel of te weinig regen, niets ging vanzelf: er moest hard geploeterd worden, de toekomst: dat was de dag van morgen, verder keken de mensen toen nog niet. Als ze één ding wisten uit de bijbel dan was het dit: “Omdat ge hebt geluisterd naar uw vrouw en hebt gegeten van de boom die ik u had verboden, zal de grond vervloekt zijn omwille van u. Zwoegend zult ge van hem eten, alle dagen van uw leven. Distels en doornen zal hij voortbrengen, met veldgewas moet gij u voeden. In het zweet zult ge werken voor uw brood.” Ze moesten zich steeds verzoenen met een soort noodlot.
Nog altijd leven we nà het paradijs. Wij hierin het Westen weten ons aardig te helpen. Maar voor veel streken in de wereld komt regen eerder met verwoesting dan met brood voor wie moet eten. De kranten schrijven al niet meer over de ontelbaren in Birma die sinds 5 mei nog altijd alles kwijt zijn. De mooie lezing uit Jesaja zou heel onwerkelijk klinken in hun oren.
Dat land, dat zaad, die weldadige regen zijn een beeld van het woord dat komt uit Gods mond: “Het keert pas terug waneer het mijn wil heeft volbracht en zijn zending heeft vervuld.”
Dat alles doet me denken aan de staat van de Kerk: vandaag vertrekt de paus naar Sydney voor een grote happening. Tweehondervijftig duizend jongeren rondom de plaatsbekleder van Christus, die een nieuw Jerusalem binnentrekt, in smetteloos wit met fijne rode schoenen aan.
En de Kerk hier? Die herinnert me steeds meer aan het kleine boerderijtje uit mijn kindertijd. De woorden die nu vallen zijn: priestertekort, revitaliseren, herstructureren, zoals er vroeger geklaagd werd over te veel of te weinig regen.
I denk terug aan wat ik las in de nieuwe kalender: “Het lukte me niet meer miserie te schilderen. Ik was er ziek van. Ik had behoefte aan warmte. Ik ging omhelzingen schilderen.” Wie zal ons dat voordoen en leren?
Wat zal er in Sydney omhelsd worden met zoveel jongeren van her en der bij elkaar. Ze zullen tegen elkaar zeggen: “Vertel me jouw verhaal, zuster, broeder, van vreugde en hoop, van zwoegen en zweet, van pijn en leed, van leven en dood. De tonen van jouw stem blijven klinken en slaan in volle harmonie akkoorden aan in mijn hart.” Daar zal iets van gaan resoneren over de hele aardbol:
Mannen en vrouwen, kinderen, groepen mensen die elkaar vasthouden en omhelzen, een nieuwe manier van revitaliseren en herstructureren met een nieuw soort oogst: mensen die open met elkaar omgaan en ontdekken hoe zeer ze bij elkaar horen. Het zit in onze natuur!