Je leven redden. Het ligt zo voor de hand. Het is ons ingeschapen. We hebben er ziekenhuizen voor gebouwd. We hebben er veiligheidsgordels voor aangeschaft. We hebben er bromfietshelmen voor opgezet. Het is zo vanzelfsprekend dat we ons leven willen redden. Ons hart wordt door ribben beveiligd. Onze hersens door een schedel. Het ongeboren kind door een moederschoot. De natuur zegt het: het leven redden is iets goeds. Er zijn dieren met een schutkleur, egels met stekels, bijen met een angel, tijgers met klauwen. Maar voor ons mensen is er één uitzondering: de uitspraak van Jezus van Nazaret: ‘Wie zijn leven verliest omwille van mij zal het redden’. Dat is moeilijk te vatten, en het wordt ook door velen niet begrepen. Blijkbaar is er iets dat hoger waarde heeft dan je leven te redden. Althans in de opvatting van Jezus.
Maar wie is Jezus dat wij deze uitspraak van hem zouden aannemen? Soms ben je heel zeker van hem. Maar soms ook grijpt de twijfel je aan. Soms zie je het, maar soms zie je het helemaal niet. Soms zijn er in ons leven momenten van intense blijdschap omdat je weet dat je hem op het spoor bent. Dan zien we hoe hij bezig is in eenvoudige mensen, die zulke grote dingen doen, die iemand uit de goot halen of voorkomen dat iemand erin terecht komt. Die zich ten koste van alles, zelfs van hun eigen leven, voor anderen inzetten. Wij hebben de grootste bewondering voor Pater Damiaan de Veuster, die, om de melaatsen te helpen, zélf gestorven is aan melaatsheid. Ja, dan zien we dat er iets is dat een hogere waarde heeft dan je leven te redden. En dat het wijs is daarvoor je leven te geven. In zo’n zelfvergetend mens is het christendom op zijn best.
Maar, zeggen we dan gauw erachter aan: dat is tegenwoordig niet meer nodig. Er zijn nu medicijnen tegen melaatsheid. Ja, dat is waar. Alleen, is het nu niet meer nodig ons in te zetten voor mensen die in de goot liggen? Die zijn afgeschreven, die zijn opgesloten, die zelfs worden gemarteld om van hen een bekentenis af te dwingen? En die bekentenis houdt niets misdadig in, maar gewoon hun godsdienstige of politieke overtuiging.
Moeten deze mensen, die vaak jarenlang in de gevangenis zitten, niet geholpen worden door mensen die vrij zijn, en die christen zijn? En we kunnen ze helpen, en we hoeven voor hen niet eens ons leven te geven, maar we kunnen ze helpen door gewoon brieven te schrijven in het kader van Amnesty International. Veel christenen zeggen: dat is gevaarlijk werk, daar moet je je vingers niet aan branden, daar kun je je het beste buiten houden.
Maar wat zouden diezelfde mensen zeggen als zij in de gevangenis zaten, gemarteld werden, mishandeld, om hun christelijke overtuiging?
Jezus wil ook door ons herkend worden als hij tot zwijgen gedoemd is, en alleen maar af kan wachten totdat mensen hem komen helpen. Wij herkennen Jezus wel aan een kruis. Dat kruisbeeld van vele eeuwen terug. Daar zijn wij aan gewend. Dat doet je niets meer. Dat heeft zijn tong verloren. Maar wij hebben er moeite mee Jezus nu te herkennen in een uitgestoten mens, die tot zwijgen is gebracht in een gevangenis.
Wie zijn leven verliest om mij, zal het vinden.
Als we het stof van deze tekst afhalen, geen laagje stof, maar bergen stof, dan blijkt het volgende: Jezus bedoelt dat nog steeds. Je leven redden is niet het hoogste. Het hoogste is: het leven van een ander redden uit liefde.