Kent u het verhaal van de twee broers, na de dood van hun ouders opgegroeid in den vreemde en groot geworden met deze brandende vraag: waar komen wij vandaan? Als antwoord horen ze oude verhalen, verhalen van hun jeugd. Er ontstaat in hen een groot verlangen om terug te vinden wat verloren is gegaan. Ze wakkeren bij elkaar dat verlangen aan en dan komt het uur dat ze zich voornemen op reis te gaan, op zoek naar dat land achter de horizon van hun denken, hun aanvoelen, hun leven op dit moment. Maar ze zijn verschillend van karakter. De een stapt stevig voort met maar één ding in zijn hoofd: ik moet en zal dat land bereiken. Hij laat zich niet afleiden, niet naar links en niet naar rechts. Hij heeft een helder idee over zijn land: hoe het er uit ziet, waar het ligt, hoe goed het is. Daar gaat hij op af. Reizen, dag na dag, week na week, jaar na jaar. Hij heeft zijn land nooit bereikt, integendeel, naarmate hij ouder werd leek zijn doel verder weg. En hij is eenzaam en oud gestorven, langs de weg die hij ging.
De ander, meer een flierefluiter, gaat ook op weg, maar heeft geen haast. Hij ontdekt dat er veel te zien is, te beleven en zoveel mee te maken valt. Mensen, dieren, dingen, planten, verhalen; voortdurend staat hij klaar om te gehoorzamen aan het beroep dat op hem wordt gedaan en de mensen die hij ontmoet, luisteren naar zijn verhalen over het land waarheen hij op weg is. Iedere keer dat hij aan het vertellen slaat, wordt dat land mooier en kleurrijker. En de mensen vragen of ze met hem mee mogen trekken, mee naar dat land. Ze hebben onderweg veel plezier. Men zegt dat hij, ook oud geworden gestorven is met velen om hem heen, die hem opvingen en die mensen zeggen ook nog dat ze in zijn ogen een land gezien hebben zo onvoorstelbaar mooi, dat het verlangen ernaar nooit meer van je wijkt.
Welke mens wil je zijn? Degene die met vaste zekerheden op weg gaat, die weet hoe het zit in het leven en hoe je je te gedragen hebt? Degene die zich niet laat afleiden, die niet te raken is door de bekoring? Of wil je degene zijn die tijd verliest, die zich laat raken door links of rechts, die het beroep verstaat dat op hem wordt gedaan om open te zijn en gastvrij voor alles, wat je op die weg naar dat land van belofte tegenkomt? Ik ken uw antwoord. Tijd verliezen, dat wilt u. Je laten raken door alles wat je op je weg tegenkomt, dat wilt u, net zo goed als ik. En zo wilt u geloven dat het Koninkrijk van God al doende, al sprekende en handelende, al gaande gebouwd wordt.
Maar dé vraag is nu maar: durven wij dat? Durven wij los van zekerheden het avontuur aan om elke dag maar weer te zien, zonder planning, zonder alles wat wij geleerd hebben en wat toch niet houdbaar blijkt te zijn? Durven wij het vreemde, het andere bij ons binnen te laten? Andere opvattingen, andere gezegden, andere ideeën? Hoe graag wil ik mijn tijd verliezen, een flierefluiter zijn op de levensweg, maar tegelijk zit ik nog erg vast aan alles wat van tevoren vast ligt. Niet zozeer aan wat ik geleerd heb in catechismussen en theologieboeken, ook niet wat ik geleerd heb van mijn ouders en overheden. Het meest nog aan de mening die ik in de afgelopen jaren over mijzelf heb gevormd. Dat idee over jezelf. Zo is het en niet anders. Ik kan nu eenmaal niet zus, ik wil niet zo. Ik ben bang voor die of die. Ik ben nu eenmaal een werkezel en geen feestneus.
Als iets ons tegenhoudt om tijd te verliezen aan anderen dan is het dat wij geen tijd wensen te verliezen aan onszelf. Dat voor onszelf alles klaar en duidelijk is. Ik denk dat voor mij op de allereerste plaats geldt, dat ik het avontuur met mijzelf aandurf. Menselijke lotgevallen zijn niet zomaar rampen, waaraan je op genade of ongenade bent overgeleverd. Het zijn boodschappen. Je staat voor de keuze: óf je tijd verliezen om die boodschap te verstaan, óf die boodschap zo snel mogelijk wegdoen, en in het oude patroon verder leven. Ik hoop maar dat de mensen me behoeden om me op te sluiten in eigen zekerheid en gelijk.