Zusters en broeders
Voor de derde week op rij hoorden we een lezing uit het tiende hoofdstuk van Matteüs. Twee weken geleden zagen we dat Jezus zijn apostelen uitzond om zijn boodschap te verkondigen, verleden week hoorden we de raad die Hij hun daarbij gaf, vandaag de eisen die Hij stelt. En die zijn niet niets. Immers, “wie vader of moeder meer bemint dan Mij, is mij niet waardig; wie zoon of dochter meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig.” Ik kan me, eerlijk gezegd, prettiger dingen voorstellen. Maar wat vangen we met die woorden aan? Wat bezielde Jezus om zo hard van zich af te spreken? Wou Hij dan echt dat zijn leerlingen omwille van Hem braken met hun familie, hun ouders, hun vrouw, hun kinderen?
Zusters en broeders, hoe hard die woorden ook zijn, we kunnen ze niet negeren. Wat we wel kunnen doen is ze proberen duiden, bijvoorbeeld door ze te plaatsen in de context van Jezus’ tijd, met de toen inderdaad zeer knellende banden van het gezin. Het leven van elk gezinslid was van geboorte tot graf volledig uitgestippeld door de familie-oudsten, en daar was niet tegen in te gaan. Er was dus geen enkele persoonlijke inspraak inzake beroepskeuze, huwelijkspartner, opvoeding van de kinderen, woonplaats enzovoort. Vandaag de dag is dat in veel Afrikaanse en Aziatische landen, en ook in Israël en zeker in de moslimlanden trouwens nog altijd niet anders. Welnu, Jezus gaat daar meer dan eens tegen in. Voor Hem is dat van type gezin een klein beklemmend wereldje waar je niet uit raakt, en dat kan niet Je mag je niet zodanig inkapselen dat je alleen maar oog hebt voor wat zich binnen je eigen kleine cirkeltje afspeelt, zegt Hij. En dat cirkeltje, dat kan van alles zijn: je gezin dus, maar ook je werk, je hobby, je vereniging, je politieke kleur. Die cirkeltjes bieden inderdaad warmte en geborgenheid, maar ze mogen volgens Jezus niet je hele leven zijn, want, zegt Hij, ‘wie op die manier zijn leven wil behouden, zal het verliezen. Wie zichzelf opsluit in zijn kleine wereldje, zal verdorren en verstikken. Wil je meer en beter mens worden, wil je echt leven, dan moet je je cirkeltje verlaten. Alleen dan kan je de noden van anderen zien en je er ook voor inzetten.’
Maar Jezus heeft nog een andere reden om deze harde uitspraken te doen. Uit de evangelies blijkt dat Hij in het begin van zijn openbaar leven behoorlijk veel succes kende. Hij sprak nieuwe woorden, Hij verrichte enkele wonderen, Hij zou dus wel de verlosser zijn, en Hij zou die gehate Romeinse bezetter er ook wel uitjagen. Maar Jezus was niet de man van het goedkope succes, Jezus was geen gehaaide reclameman die met een paar goedkope stunts zijn waar aan de man wilde brengen. En Hij zocht ook geen politieke, wel een menselijke ommekeer. Hij was niet op zoek naar vechters die te vuur en te zwaard de Romeinen zouden verjagen, wel naar mensen die wilden opkomen voor randfiguren, voor zondaars, voor mislukkelingen, voor kansarmen. En daarvoor heeft hij geen slippendragers of meelopers nodig, wel overtuigden die er willen voor gaan, niet zo maar een beetje, maar hun hele leven lang. ‘Je bent mijn leerling of je bent het niet’, zegt Jezus, ’en een “ja, maar” wordt niet geduld. Kiezen of delen, niets er tussenin. Christen ben je niet zo eventjes tussendoor, christen ben je niet omdat je een kruisje aan een kettinkje draagt, naar de mis gaat, nu en dan bidt, een kaarsje brandt en elk jaar te voet naar Scherpenheuvel gaat. Christen ben je vierentwintig uur op vierentwintig, christen ben je alleen als je je kruis opneemt en Me volgt, onvoorwaardelijk.’
En ook dat, zusters en broeders, is opnieuw een uitspraak die er niet om liegt. Ons kruis opnemen, en Hem volgen. Een kruis dat gemaakt is van geloof, van beschikbaarheid en trouw. Een kruis dat niet wil kiezen voor de gemakkelijkste weg van het eigenbelang, het veilige egoïsme, het ikke-en-de-rest-kan-stikken. Een kruis dat kiest voor Hem, dus voor inzet, zorg en bezorgdheid, meevoelen, gave en overgave. Niet het ik tot god verheffen, maar de echte God in ons leven toelaten, naar zijn woord luisteren, en het onderhouden. Omwille van Hem ons eigen kleine leven durven verliezen om het echte leven te vinden. Ons opgesteven hart vol zekerheden en berekeningen weer openstellen voor God, voor elkaar, voor onze medemens.
Zusters en broeders, zijn wij genoeg christen om toe te staan dat anderen de Heer in ons ontmoeten? En willen wij, op onze beurt, in anderen de Heer zien? Kunnen zij van ons al was het maar die beker koud water krijgen, zoals Jezus op het einde van de evangelielezing het zo mooi zegt, met daaraan de belofte verbonden: Voorwaar, Ik zeg u: Zijn loon zal hem zeker niet ontgaan? En ik denk hierbij spontaan aan de eerste lezing, aan dat Sunamitische echtpaar dat de profeet Elisa niet alleen te eten en te drinken geeft, maar zelfs een kamer bijbouwt, zodat hij comfortabel kan wonen. Niets vragen ze ervoor in de plaats, en toch wordt hun diepste hartenwens vervuld: zij die onvruchtbaar was, zal een zoon krijgen.
Zusters en broeders, wie durft los te breken uit zichzelf en uit zijn eigen kleine wereldje, wie kiest voor Jezus’ weg: Wees er zeker van: zijn loon zal hem niet ontgaan. Amen.