Zolang Jezus mild en vriendelijk op mensen toetreedt, zieken geneest en vergeving schenkt, hebben we het niet moeilijk met Hem. Ook als Hij de farizeese hypocrisie ontmaskert of tegen de gevestigde orde aanschopt, kan Hij op veel sympathie rekenen. Maar daar komt verandering in als Hij bijvoorbeeld zegt: ‘Wie meer houdt van zijn vader of moeder dan van Mij, is Mij niet waard. En wie zijn kruis niet opneemt en Mij volgt, is Mij niet waard.’ Die eisen gaan regelrecht in tegen wat ons het dierbaarst is: gezin, welzijn, eigen leven.
Toch valt er niet aan te ontkomen. Jezus, de sympathieke mensenvriend, is niet los te maken van de strenge leraar die radicale navolging eist. Ofwel neem je dat erbij, ofwel laat je Jezus gewoon helemaal links liggen. Het evangelie heeft een radicaliteit waaraan niet te ontkomen valt. Het is een blijde boodschap en tegelijk een onverbiddelijke confrontatie met eisen die onze krachten ver te boven gaan.
Jezus eist meer dan wat mensen van elkaar mogen eisen. Alleen God mag vragen dat wij Hem meer liefhebben dan onze ouders en kinderen, want Hij is Heer van leven en dood. In feite stelt Jezus zichzelf helemaal in de lijn van het eerste en voornaamste gebod: Gij zult de Heer uw God beminnen met heel uw hart, heel uw ziel, al uw krachten en heel uw verstand. Jezus eist van zijn leerlingen dat zij aan He,m de absolute voorrang zouden geven, zoals aan God zelf. Hij neemt inderdaad goddelijke aanspraken in de mond. Zijn vrienden beseffen dat. Petrus noemt Hem daarom de Christus, de Zoon van de levende God. En zijn vijanden hebben Hem ook door: zij zeggen dat Hij God lastert.
Met dat eerste gebod komen we nooit in het reine. Meer zelfs, we weten eigenlijk niet wat het allemaal precies inhoudt. Maar zoveel is wel duidelijk: als gelovigen moeten wij altijd weer onder dat gebod gaan staan. God is God en Hij gaat boven alles uit omdat Hij God is. In de naam van die God durft Jezus mateloos hoge eisen stellen. Wie in zijn spoor wil treden, moet er zelfs zijn leven voor overhebben. Al het andere is dan relatief, het moet in relatie gesteld worden met dat ene wat alles te boven gaat: God zelf.
Zet Jezus zijn leerlingen er dus toe aan ‘het aardse’ te ver¬achten? Neen, juist niet. En dat is zo merkwaardig. Waar God echt als God erkend wordt, wordt het aardse niet onbelang¬rijk. Het komt wel in een heel ander licht te staan. Wie hon¬ger heeft of dorst, wie ziek is of naakt, op de dool of in de gevangenis, wordt dan pas echt belangrijk. Zo belangrijk dat Jezus kan zeggen: ‘Alles wat je voor een van deze minste broe¬ders van Mij hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan.’ Of, zoals in deze perikoop: een beker fris water, gegeven aan een van de zijnen, is ontzettend veel belangrijker dan het lijkt. Waar God boven alles bemind wordt, krijgen de meest aardse daden van liefde oneindige waarde…