Niet bang zijn

A-cyclus · Tijd door het jaar · 12e zondag · groen

Het evangelie van vandaag is wat geheimzinnig. Het gaat over ‘niet bang zijn’. Het gaat over dingen die nu verborgen zijn, maar die morgen bekend gemaakt zullen worden. Het gaat over licht in het donker, over geruchten en gefluister in oren. Het gaat over hen die kunnen arresteren, martelen en zelfs executeren, maar die de ziel niet kunnen doden. Over vogels die uit de hemel vallen, hoewel ze geteld zijn en bijgehouden worden. Er is zelfs iets over de registratie en administratie van de haren op je hoofd.

Het gaat over dat alles, maar ook weer niet. Uiteindelijk gaat het erover hoe je in deze wereld getuigt voor Jezus ‘tegenover de mensen’. Jezus belooft ons dat hij voor ons zal opkomen bij God, als wij voor hem opkomen in deze wereld. Het is de vraag of we die woorden van Jezus wel ooit begrepen en serieus genomen hebben. Hij dié deze wereld kwam genezen, zei: ‘Getuig van mij tegenover de mensen’, en velen trokken de conclusie dat ze ‘s zondags naar de mis moesten om te getuigen van hun geloof in hem. Hij die de hongerigen te eten gaf, zei: ‘Getuig van mij tegenover de mensen’, en anderen trokken de conclusie dat ze veel moesten bidden, in het openbaar kruisen slaan, en geregeld naar wat godsdienstige programma’s over de televisie kijken. Hij zei: ‘Houd van elkaar’, en weer anderen trokken de conclusie dat ze bij charismatische bijeenkomsten op moesten staan om te getuigen, of dat ze bij moesten dragen aan de bouw en de versiering van vaak heel dure, ongemakkelijke, maar soms wel prachtige kerkgebouwen.

Het zou niet moeilijk zijn om zo nog een tijdje door te gaan. De vraag is: is dat alles ‘het getuigenis tegenover de mensen’ waar hij om vroeg? Kwam hij ons vragen om kerken voor hem te bouwen? Voor hem die in deze wereld niet één huis het zijne kon noemen, en die ooit opgemerkt schijnt te hebben dat hij blij was niet eens een Steen de Zijne te kunnen noemen op deze aarde? Die bovendien eens tegen zijn leerlingen zei, toen zij de tempel van Jeruzalem aan het bewonderen waren, dat hij die tempel eigenlijk een vergissing vond, en dat hij hem zou verwoesten? Die tegen een vrouw in Samaria zei dat er een einde zou komen aan het aanbidden van God in tempels en op hoogten, en dat dan God aanbeden zou worden in geest en waarheid? Kwam hij om voor ons de gelegenheid te scheppen koren op te richten, een ongeëvenaarde kerkelijke hiërarchie op te bouwen, of iets dergelijks?

Hij vertelde hun eens dat zij die alleen maar ‘Heer, Heer!’ roepen - zelfs als ze dat zouden doen in het openbaar - dat dit niet voldoende zou zijn om tot het koninkrijk van God gerekend te worden. Dat het gaat over iets anders. Dat het gaat om het doen van de wil van God.

Hij was niet tegen bidden, Hij leerde ons zelfs hoe we moeten bidden. Hij vroeg ons God abba te noemen, om duidelijk te maken dat we God niet kunnen bereiken als we niet eerst bereid zijn om ‘tegenover de mensen’ te getuigen dat we allen bloedverwant en familie van elkaar zijn, omdat we uit dezelfde levensbron komen, en daarom ook gelijke rechten en plichten hebben. Het is zo gemakkelijk om dat door hem aanbevolen gebed te bidden en dat dan toch te vergeten. Getuigen voor hem ‘tegenover de mensen’ is getuigen van die waarheid.

Hij gaf ons een test.

Toen ze hem vroegen waar ze zouden moeten beginnen in deze, onze wereld, waar minstens een derde deel van de kinderen ziek en hongerig is, nam hij een kind, plaatste dat in hun midden en zei: ‘Dit is de test. Als je een van die kinderen schandaliseert door te weigeren het te accepteren en ervoor te zorgen, dan zal God jullie niet accepteren.'

Hij gaf een ons een criterium.

Op de laatste avond van zijn aardse leven zei hij tegen zijn leerlingen: ‘Ik ga weg, en als je mij wilt herdenken, dan doe, wat ik nu met jullie doe.’ En hij nam zijn brood, brak het, deelde het rond; en toen nam hij de kelk en gaf die ook rond, en ze aten en dronken zichzelf tot zijn ene lichaam en bloed.

Dat is het soort getuigen dat hij van ons vraagt. Alles is ons met die test en dat criterium meegegeven. Het getuigenis bestaat in het breken van het brood en het delen van de wijn. Het bestaat in het breken van mijn brood en het delen van mijn wijn. Als we dat doen dan delen we in het offer dat hij bracht om ons allen bij elkaar te brengen, en terwijl we dat doen, kunnen we zingen: ‘Alleluja, alleluja, amen, amen. We zijn gered door hem!’ En wie zou er dan moeite mee hebben om dat te geloven? Niemand toch…

Zoeken in Preken Online