Als je toevallig eens in de spiegel kijkt, dan merk je dat je ouder wordt en komt soms de gedachte bij je op: wat blijft er van het leven van een mens over? Wat blijft er over van het bezit dat hij verzameld heeft, van de boeken die hij gelezen heeft, van de plaatsen die hij bezocht heeft, van de kennis die hij verworven heeft, van de vrienden die hij gehad heeft? Wat blijft er over? Het evangelie zegt ons heel duidelijk: wat er overblijft is het getuigenis voor Jezus. Ook als ons alles uit handen genomen wordt, als alles waardeloos wordt, dan blijft dit getuigenis voor Jezus. Dat is het enige wat blijven zal, het enige wat eigenlijk beslissend is. Van dit getuigenis voor Jezus hangt tenslotte het oordeel af dat God over elk mensenleven spreken zal: ‘Wie Mij belijdt voor de mensen, zal ook Ik voor mijn Vader belijden, die in de hemel is'.
Waar een mens werkelijk Christus belijdt, daar zullen de mensen dat wel zien. Dat wordt bijzonder duidelijk in het leven van de eerste apostelen. Zonder het eigenlijk te willen, getuigden zij voor Christus, zij konden niet verbergen wat hen bezielde. Zo werden zij een levende verwijzing naar Jezus en zo groeide die eerste christelijke gemeenschap. Bij vervolgingen getuigden zij met hun bloed: ‘Jezus is de Heer’ in de zekerheid dat hun Heer over vervolging en dood heen, aan hun kant zou staan. Zij getuigden dat Jezus, die zo dikwijls in hun leven hun kracht was, hen niet in de steek zou laten, ook als zij aan de grenzen van hun kunnen en begrijpen stonden. Zij waren er vast van overtuigd dat Jezus hen ook dan niet in de steek zou laten als hun leven ten einde ging. Jezus brengt hen tot zijn Vader. Zo kenden deze leerlingen Jezus, die zij voor de mensen beleden.
Zeker, wie zo van Jezus wil getuigen die moet zich eerst lang en rustig verdiepen in het leven, het spreken en het handelen van Jezus, in zijn sterven en verrijzen. Dan zal hij door en in Jezus begrijpen, wat God beloofd heeft. Wie zo met Jezus verbonden is, die zal ook verder doorstoten naar betekenis van de de woorden van dit evangelie: ‘Zelfs een mus valt niet op de grond zonder de wil van de Vader’ en: ‘zelfs de haren van je hoofd zijn allemaal geteld’. Dit zegt Jezus om de kerngedachte te onderstrepen: vrees dus niet. Niemand kan de leerlingen het leven ontnemen, behalve God.
Deze geruststellende woorden van het evangelie: ‘Vrees niet’, krijgen hun volledige betekenis juist in ogenblikken dat de dingen hun alledaagse vanzelfsprekendheid verliezen, zoals bij ziekte, tegenslag, werkloosheid, ouderdom.
Achter deze woorden: ‘Vrees niet’, staat de almacht van God zelf. Lijkt dit geen mooi klinkend troostwoord, dat blind is voor de werkelijkheid? Wat heeft een langdurig zieke, een stervende aan zo’n troostwoord? Alleen een levendig geloof kan je de sleutel verschaffen om dit woord te begrijpen. Dan betekent geloven je in God zelf vast ankeren, zoals Jezus dat zelf gedaan heeft toen Hij de armoede met de armen deelde, de doodsangst met de ter dood veroordeelden, de geseling met allen die gefolterd worden, de dood met allen die moeten sterven. Hij heeft al het lijden van de mensen zelf in zijn lichaam doorstaan, maar daarbij is Hij zijn Vader trouw gebleven. Geen macht kan het eeuwige leven van mensen vernietigen. Daarom is er eigenlijk maar één zaak die ons angstig kan maken: de vrees voor God, die de mens kan redden of verderven. Alleen God moeten wij vrezen.
Moet dit beeld van God ons angst aanjagen? In de volgende verzen van het evangelie wordt een andere kant van het godsbeeld verduidelijkt: de vaderlijke zorg, die God heeft voor elke mens in het bijzonder. De grootheid van God motiveert onze eerbied, Gods liefde verzekert ons zijn erbarmen. Hij heeft immers medelijden met waardeloze mussen, die in massa te krijgen zijn. Hoeveel te meer zal God zich dan bekommeren om ons. God is bezorgd voor ieder van ons, daarom bestaat er voor een gelovige geen enkele reden tot angst. God zorgt voor ons, vrees daarom niet!…