Wanneer Jezus zijn leerlingen uitzendt, weet Hij maar al te goed dat ze bang zijn. Ze staan voor een onmogelijke taak. Ze weten dat ze, net zoals hun Meester, op harde, misschien zelfs levensgevaarlijke weerstand zullen stoten. Jezus vangt die vrees op door te zeggen waarvoor ze wel en niet bang hoeven te zijn. ‘Wees niet bang voor de mensen,’ zegt Hij, ‘want die kunnen alleen het lichaam doden. Wees ook niet bang voor de waarheid die Ik jullie in kleine kring meegedeeld heb, want die komt hoe dan ook toch aan het licht. En wees niet bang uit te komen voor jullie geloof in Mij.’
Uit ervaring weten wij allemaal dat we, zeker op vandaag, de kans lopen belachelijk gemaakt te worden als we uitdrukkelijk voor ons geloof uitkomen. Maar uit vrees daarvoor ons geloof wegstoppen, is laf. We laten ons dan door misplaatste vrees leiden.
Misschien ligt het moeilijkste punt in Jezus’ bewering dat er wel degelijk reden tot vrees is! ‘Wees eerder bang voor Hem die en ziel en lichaam kan ombrengen in de hel.’ Zo staat het er. En er volgt nog een dreigement: ‘Wie Mij verloochent tegenover de mensen, die zal Ik ook verloochenen tegenover mijn Vader die in de hemel is.’ Zoiets horen we niet graag.
Intussen weten we allemaal wel dat angst geen goede raadgever is en zeker geen gezond motief om in God te geloven. Geloven doe je niet uit angst voor God, maar veeleer vanuit vertrouwen in Hem. Maar juist dat is vlugger gezegd dan gedaan. Gelovig vertrouwen is nog iets anders dan je kop in het zand steken en jezelf sussen met flauwiteiten. Als het evangelie onverbloemd zegt dat God ons helemaal kent (zelfs onze hoofdharen zijn geteld!), is dat in eerste instantie niet geruststellend. We lopen immers allemaal rond met duistere plek¬ken in onszelf, dingen waarvan we niet willen dat iemand anders ze zou weten. Het is heel moeilijk de waarheid van onze eigen persoon onder ogen te zien. De moderne dieptepsychologie bevestigt dat ten volle. Maar als God ons wel helemaal doorgrondt, dan doorziet Hij ook onze duistere kant. Dat roept hevige weerstand in ons op. Zou de hedendaagse afwijzing van het geloof in God niet voor een deel daardoor te verklaren zijn? Het is onverdraaglijk dat Iemand, die nota bene én ziel én lichaam in het verderf kan storten, ons helemaal zou kennen!
Het echte geloof bestaat erin te aanvaarden dat wij inderdaad gekend zijn, maar dan door Iemand die een grotere liefde voor ons heeft dan wij voor onszelf kunnen opbrengen. Wat wij in onze eigen ogen verachtelijk vinden, is het daarom nog niet voor God. Is God dan te vrezen? Laten we het zo stellen: van nature is de mens wel degelijk bang voor een God die al-les weet en doorziet. De weg van het geloof bestaat in het geleidelijk aanvaarden dat die Alwetende boven alles grenzeloze liefde en vergeving is. Dan kan een mens stilaan zichzelf en zijn medemensen leren beminnen zoals God bemint. En daarop komt het aan…