Jezus zet zijn onderricht verder aan de leerlingen die Hij zal uitzenden. De apostelen hebben kennelijk schrik. Ze zijn bang om in zee te steken. De apostel kent altijd dat gevoel. Wie nadenkt over zijn roeping, wie priester wil worden of religieus, moét wel schrik hebben. Zou een man of een vrouw geen schrik hebben vooraleer zich door God te laten zenden, als zijn profeet onder de mensen, het zou betekenen dat zij geen begrip hebben van wat ze eigenlijk willen doen, van waar het eigenlijk om gaat.
Jezus zelf schijnt niet te aarzelen. Zijn werk als Messias is goed voorbereid. Hij heeft zijn leer zuiver doordacht, de religieuze bewegingen van zijn tijd bestudeerd, de heilige Schrift geleerd, alles in het vooruitzicht van zijn taak, ingelicht over wat over Hem voorzegd was, door de engel bij de aankondiging aan Maria, als mens het vertrouwen in zijn Vader verdiepend, weerstaand aan de bekoringen van de Satan.
Zijn zending is al geruime tijd begonnen. Hij heeft zich gesterkt, naar lichaam en ziel, door zijn gebed, zijn vasten en zijn studie, vol van de Geest en meester van zijn gevoelens. De schrik zal ook in zijn lichaam gebeten hebben. Later bidt Hij toch: “Laat deze beker Mij voorbijgaan”.
Hij wijdt zijn leerlingen in in zijn eigen manier van denken, Hij voedt ze op in zijn manier van doen. Zij worden als in een seminarie onderricht, maar in het licht" en “van de daken” moeten ze straks verkondigen wat ze van de Meester gehoord hebben.
De menigte moeten ze niet vrezen, maar alleen de grote verleider, de aanstoker van alle kwaad, aan wie Jezus zelf weerstaan heeft in de woestijn. Hij heeft hem reeds overwonnen. Zo zullen ook de leerlingen hem overwinnen. Ze moeten hem vrezen als een geduchte vijand, maar weten dat God, hun Vader, hen beschermt: Hij heeft de overwinning aan zijn Zoon geschonken. Ze zijn “méér waard dan een zwerm mussen”, waarvan er niet één op de grond valt buiten de wil van hun Vader. Zelfs ieder haar op hun hoofd is geteld.
De schrik is een conditie om Jezus ernstig te volgen in zijn zending. De overwinning van de schrik in de navolging is een genade die God door Jezus geeft. Iedere apostel die Jezus belijdt bij de mensen, zal Jezus zelf als een van de zijnen erkennen bij de Vader.
De roeping tot apostel is niet banaal. Wie er aan denkt Jezus als gezondene te volgen, moet de banaliteit van zijn omgeving verlaten en in lange voorbereiding zijn schrik in Jezus’ handen leggen. Als Jezus hem of haar echt roept, zal aan hem, aan haar het wonder voltrokken worden: “Wees niet bang, Ik heb de wereld overwonnen”.
Hij, zij mag bang zijn als Jeremia, over wie we hoorden in de eerste lezing, die “Ontzetting-overal” genoemd werd, omdat hij de ondergang van de zwelgers voorspelde, Jahwe was bij hem “als een machtig strijder bang als de leerlingen die deuren en vensters sloten na het drama van het kruis, Jezus kwam midden onder hen staan; bang als Petrus, die over het water moest komen, “Jezus stak zijn hand uit en greep hem vast”. De schrik verdwijnt niet miraculeus, maar het wonder geschiedt telkens opnieuw, dat de geroepenen nu, zoals vroeger, niettegenstaande hun natuurlijke schrik, getuigen, zelfs tot in de marteldood.
Wie nu geroepen wordt, herinnere zich: “Weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel. Vreest veeleer hem die én ziel én lichaam in het verderf kan storten in de hel”. Velen zeggen neen op de roeping uit schrik voor schade aan hun lichaam. De schrik voor schade aan hun ziel stellen ze verstrooid uit, met die voor “het verderf in de hel”. Het volk vraagt ook niet om aandacht voor de ziel en weinigen kijken welk verderf dan ook in de ogen: er is “een pil voor iedere gril”. Wie Jezus volgt is sterker dan pillen en grillen…