11e zondag door het jaar A (2008)

A-cyclus · Tijd door het jaar · 11e zondag · groen

Inleiding

Zomaar een zomerse zondag. Een dag midden in de tijd. De grote feesten , Pasen en Pinksteren, de eerste communie, alles is geweest. Het wordt zomer, de vakanties naderen. Nu is misschien wel een tijd waarin geloven even wat minder aan de orde is. De dagen zijn lang, de natuur is op zijn mooist, het is goed om buiten te zijn, licht, lucht en vrolijkheid maken ons onbezorgd. En dan kunnen we ook nog genieten van een Europees kampioenschap op de TV. Hoge verwachtingen, diepe gedachten dringen zich misschien even wat minder op. Pluk de dag is meer het motto.
Tegelijkertijd zijn we ook een beetje leeg, een beetje verweesd, na het afscheid van Bart Verreijt, onze pastoor van vele jaren. We voelen een leegte, een onzekerheid. Een nieuwe tijd breekt aan voor deze parochie, met een nieuwe organisatievorm, nieuwe gezichten van het Amersfoortse pastoresteam die hier voor zullen gaan. Onzeker zijn we hoe onze gemeenschap zal voortbestaan, met onze eigen wijze van lezen en uitleggen van de schrift, met onze eigen cultuur van liederenkeuze en omgaan met de traditie.
Zo zijn we hier vandaag bij elkaar, midden in de veranderingen, midden in het jaar, midden in de loop van de tijd tussen vroeger en toekomst. Met een wat onbestemd gevoel hebben we een paar lezingen die zich vanuit het rooster aandienen, en een stel liederen bij elkaar gezocht en daarmee moeten we met elkaar inhoud en vorm aan deze bijeenkomst geven. Een wat onsamenhangend geheel eigenlijk. De teksten en liederen lijken elk op zich te staan, te horen bij een stukje geloofsbeleving van ooit, fragmenten van enthousiasme en overtuiging van eens, maar wat is de zin, de samenhang nu? Hoe daaruit geloof, hoop en liefde te putten voor vandaag en de dagen hierna?.
Een liturgie met van alles wat, op een moment in de tijd dat onbestemd is. Als een leeg vel papier, en een verzameling fragmenten van plaatjes, teksten, en knipsels. Zo wordt deze dienst vandaag als een collage. Maar moge het zo zijn, dat er uit het schijnbaar willekeurig bij elkaar brengen van woorden en sferen een klein beetje zicht op de mogelijkheden van de toekomst mag ontstaan, de toekomst van de wereld, de toekomst van onze rol daarin, de toekomst van kerk-zijn.
Zomaar een zomerse zondag, maar het woord is in ons midden. Dat het woord mag blijven klinken , beluisterd worden en gedaan, dat is waarvoor we hier bijeen zijn gekomen.

Bij de eerste lezing

Het meest opvallende is, dat het volk Israel opgeroepen wordt om het woord te horen en het verbond te onderhouden, en zo een heilig volk, een priesterlijk koninkrijk te worden.
Daar in de woestijn, in die tussentijd tussen de slavernij in Egypte, en het geluk van het beloofde land, daar geeft Mozes aan het volk de woorden die komen van de Enige, de Eeuwige. De leefregels voor een samenleving van mensen in vrijheid, gelijkheid, recht en eerbied voor het leven.
Een priesterlijk volk te zijn: wil dat zeggen: ieder mens een priester?, Een middelaar tussen God en mensen? Door te zijn wat Hij die is, wil dat we zijn? Een naaste voor elkaar, elkaar steunend, voorthelpend, dragend als het moet? Een kerk met een priestertekort dat mag niet bestaan, maar dat is dan heel wat anders dan waar we nu mee te maken hebben: een kerk met een tekort aan officiële ambtsdragers
Deze tekst lijkt ons te zeggen: wees priesters voor elkaar, toon elkaar hoe God is, nabij aan de andere mens.
Als we dit zo uitleggen, mogen we dan vervolgens de vermetele denksprong maken: Kerk, dat zijn wij, betekent: priesters dat zijn wij. Mogen we zo redenerend de gedachtegang doorzetten en verwachten, dat de tijd komt waarin ambtsdragers wellicht schaars worden, misschien zelfs niet meer zullen bestaan, maar waarin we als gelovige gemeenschap rond het woord vrijmoedig het leven met elkaar zullen blijven delen, luisterend naar wat Jezus heeft gedaan, en als herkenningspunt daarbij samen het teken stellend van brood en wijn?

Na de tussenzang, Psalm 100

De dichter van dit lied lijkt er helemaal van overtuigd, dat God de zaken ten goede leidt, en daarvoor lof en dankbaarheid verdient. Kunnen we daar van harte mee instemmen?
Velen hebben geconstateerd dat het niet waar is: ze zagen nergens een hand van God die mensen redt, en die zaken ten goede keert. Sommigen zagen zelfs eerder het omgekeerde: onmetelijk menselijk lijden, en geen God die iets doet. Dan is het toch wel onmogelijk om een loflied voor God te zingen? Hebt U zonet niet ook met enige twijfel in het hart meegezongen?
Is het mogelijk of onmogelijk om God lof toe te zingen? Ieder moet die vraag voor zichzelf beantwoorden. Vandaag valt het antwoord wellicht te halen uit de opdracht om een heilig en priesterlijk volk te zijn. Waar mensen er zijn voor elkaar, daar stellen ze God tegenwoordig. Daar gebeurt een wonder, dat de loop van de dingen verandert. Leed wordt verzacht, recht wordt gedaan, liefde en trouw laten mensen bloeien. Dan zien we God, soms, even, maar onvergetelijk en dan kunnen we uitroepen: Ja, liefde bestaat, trouw is te doen, mensen hoeven hun leven niet helemaal alleen te dragen. God zij gedankt en geprezen.

Na de evangelielezing

Jezus zegt: De oogst is groot, al die mensen die uitgeput en gebroken zijn, die hulp en redding nodig hebben.
Maar arbeiders zijn er weinig.
Wie moeten die arbeiders zijn? Dat priesterlijke volk natuurlijk, dat de woorden doet, die de Eeuwige gegeven heeft aan Mozes.
Twaalf mannen worden door Jezus op weg gestuurd, om arbeider te zijn, om vertegenwoordigers van dat priesterlijke volk te zijn.
Twaalf is weinig, maar het is een begin vol belofte. Zoals het volk Israel ontstond uit de twaalf zonen van Jacob, zo zal het heilige priesterlijke volk steeds weer ontstaan uit enkelen, die op weg gaan.
Wij mogen daartoe behoren. Wij, die ons Christen willen noemen, omdat we gehoord hebben van die bijzondere mens, Christus, omdat we opgevoed zijn met de verhalen van hoe hij was. Omdat we denken daarmee een wegwijzer op onze levensweg te hebben.
Maar is het niet aanmatigend om je tot zo’n groep te rekenen? En kunnen we het waarmaken wat het betekent om die naam te dragen? We zijn met weinigen in een eindeloos grote wereld, herkent de wereld ons wel als priesterlijk volk, als mensen die God aanwezig maken, door er te zijn voor mensen die uitgeput en gebroken zijn? En kunnen we het wel?
Soms denk je : laat maar zitten , die naam, die verhalen, ik kan toch niet voldoen aan de eisen. Dan wil je het niet horen die uitnodiging om te zijn als Hij . Hoe vaak niet ben je immers zelf een mens die uitgeput en gebroken is. En wie komt jou dan helpen? Wie, welke priesterlijke mens laat jou God zien? Dan roepen we God en elkaar toe wat we straks zingen: red mij, red mij, of zoiets als heb mij lief.
Het is niet altijd mogelijk om te zijn als een lid van een heilig volk. Maar in alle mensen leeft de hoop, het visioen van een koninkrijk der hemelen, dat vanaf in den beginne mensen bezielt en dat tot in de eeuwigheid zal worden herkend. Soms liggen we neer en zijn als schapen zonder herder, maar soms ook mogen, kunnen en willen we zijn als de twaalf die op weg gestuurd werden. Met een woord van hoop , een woord dat mens wordt, vlees en bloed, een daad van liefde en trouw.
Door hier bij elkaar te komen in de naam van Christus herinneren we elkaar aan dit woord der eeuwigheid.

Afsluiting en zegen

Woorden, woorden, woorden, daaruit is onze bijeenkomst in hoofdzaak opgebouwd.
Een collage van oude teksten, dichterlijke interpretaties, zoekende uitleg en onze gebeden, onze hartekreet tot God, tot elkaar ; red mij, red mij, of zoiets als heb mij lief.
Woorden, woorden, woorden, bedoeld om dat ene woord in herinnering te houden dat ons oproept een heilig volk te zijn: mensen met elkaar en voor elkaar.
De daad bij het woord voegen, het woord te doen, daarvoor vragen we kracht , moed, wijsheid en liefde.
Moge de Ene, de eeuwige ons dat schenken, Daarvoor zingen we elkaar de zegen toe van God.

Zoeken in Preken Online