Beste dorpsgenoten,
“Gij zult mijn priesterlijk koninkrijk en mijn heilig volk zijn.” Slotzin van de eerste lezing.
“Deze twaalf zond Jezus uit met de opdracht: begeeft u niet onder de heidenen en gaat niet binnen in een stad van de Samaritanen.” Woorden uit de evangelietekst voor deze zondag.
Het zijn woorden die na 2000 jaar soms nog een inspirerende uitwerking kunnen hebben op de politieke leiders van de staat Israël.
En nu nog een zinnetje met dezelfde strekking: “Red het voetbal: beperk het aantal buitenlanders.” Jezus zou het gezegd kunnen hebben maar het stond in de krant van een week geleden, bij het begin van de Europese Kampioenschappen.
Vrijdagavond heb ik gekeken naar de openingsceremonie van de wedstrijd Nederland-Frankrijk, het binnenbrengen van de twee vlaggen, de sacraments- processie van de binnenkomende spelers, ieder hand in hand met een klein kind. Het deed me denken aan kinderen die hun vaders naar hun werk begeleiden, iets waar bijna geen kind een kans toe heeft. Het raakte me : het is zo iets liefs vlak voordat het grimmige, keiharde gevecht begint dat nog altijd spel heet. Tijdens het volkslied maakte ik kennis met de spelers: blank, zwart, allochtoon, autochtoon, armen om elkaars schouders alsof ze bij elkaar horen.
Alsof ze bij elkaar horen? Horen ze dan niet bij elkaar? Om Oranje voor de tweede keer in één week een stralende overwinning te bezorgen, horen ze bij elkaar. Moeten ze wel.
Maar de woorden van Jezus dan, in de lezingen van deze zondag? En de uitspraak: “Red het voetbal, beperk het aantal buitenlanders”?
Dikwijls worden wij door allerlei personen met gezag uitgenodigd of opgeroepen tot verdraagzaamheid en tolerantie jegens de allochtone aanwezigen in “ons” land.
Maar met alleen verdraagzaamheid en tolerantie onder elkaar, zou het Nederlandse elftal niet zo hebben kunnen spelen. Daar “speelde” meer mee!
Want wat betekenen verdraagzaamheid en tolerantie? Niets anders dan dit : ik verdraag en tolereer je zolang ik geen last van je heb en je me niet voor de voeten loopt. Dat is alles dat ik van je verwacht. Ik heb verder niets met je, en ik hoef verder geen aandacht voor je te hebben, hoe het je gaat en of ik iets voor je kan doen. Met die houding win je geen wedstrijd en krijgen vreemden nooit het gevoel van “thuis.”
Er is een ander woord dat in dit verband thuis hoort: Solidariteit, het bewustzijn van saamhorigheid en de bereidheid om de consequenties daarvan te dragen. Kort gezegd: we horen bij elkaar ofwel : we willen en proberen bij elkaar te horen, wat het ook kost. Dan kun je een wedstrijd winnen, dan kan ons land nieuwe kleuren krijgen die goed passen bij Oranje.
“Ga niet binnen in een stad van de Samaritanen.” Zo’n zinnetje van Jezus kunnen we vergeten. Verhalen als de Barmhartige Samaritaan, de verloren zoon, de goede herder, diè kunnen we niet genoeg horen. Met die mentaliteit kunnen we het winnen, samen, met elkaar.
In het boek De kleine Prins spreken de vos en de prins af dat ze bij elkaar horen.
De vos zegt dan: “Als ik weet dat je om drie uur komt, dan begin ik om half drie al heel blij te worden en naar je uit te kijken nu we bij elkaar horen.”
Er zijn mensen die bang zijn dat godsdienst en kerk verdwijnen. Ik ben bang dat we dat niet kunnen voorkomen. Het zou niet de grootste ramp zijn. Het zou onze horizon verleggen.
Bij elkaar horen en willen horen, dààrmee scheppen we de nieuwe wereld, die godsdienst ons altijd belooft, denk maar aan ons Verenigd Europa, niet altijd gemakkelijk maar wel 63 jaar zonder oorlog. Dat heeft Europa eerder nog nooit gekend.
Bij elkaar horen, een gevoel èn een toestand waar we blij van worden, dàt is het nieuwe woord voor “verlossing”, aan godsdienst voorbij.
Dàt is het wat Jezus ons toewenst: “Dit zeg ik u, opdat mijn vreugde in u moge zijn en uw vreugde volkomen moge worden."(Johannes 15, 11)