Wanneer in een gemeente, in een parochie of in een bisdom een nieuwe functionaris moet worden aangetrokken, een burgemeester, een pastoor of een bisschop, dan gaan tevoren een aantal mensen bij elkaar zitten om, zoals dat heet, een profielschets te maken. Zij gaan uitdrukkelijk praten over bijvoorbeeld de behoeften en de zorgen van een gemeente of van een bisdom; ze bekijken aan wat voor een soort functionaris die gemeenschap behoefte heeft. Niet altijd wordt het de functionaris die op de profielschets past, maar men heeft toch de verlangens en wensen van de gemeenschap waarvoor de man of vrouw wordt aangesteld bij elkaar. Tegen de nieuw benoemde kunnen ze zeggen: “Dit zijn onze zorgen, dit zijn onze noden, daaraan zouden we graag willen dat u aandacht besteedde.”
Zou Jezus zo’n profielschets in zijn hoofd gehad hebben toen Hij op het punt stond de twaalf te ‘benoemen’ voor het Koninkrijk? Als je die twaalf - voor zover we er dan iets van weten - eens aankijkt, komt daar een merkwaardig beeld uit. Wat waren het voor mensen? Wat hadden ze gemeenschappelijk? Het waren arbeiders, handwerk-mensen die in het zweet van hun aanschijn hun brood moesten verdienen; die er voor moesten knokken en die het niet breed hadden. Waarschijnlijk waren ze niet welbespraakt. Meer door het doen dan door het zeggen moesten ze bereiken wat ze wilden. Geen mensen uit de hogere kringen, geen mensen uit Jeruzalem of uit Den Haag of uit Utrecht. Mensen van het platteland die hun eigen omgeving en degenen met wie ze werkten en leefden erg goed kenden; geen mensen met papieren. Ze hadden geen kennis van theologie of van de bijbel en ze hadden niets met de tempel van doen of met de religie van die dagen.
Waren er dan niet voldoende priesters in Jezus’ tijd? Integendeel: er waren toen priesters in overvloed. Zoveel dat men een beurtsysteem moest invoeren om iedereen kans te geven voor te gaan in de tempeldienst. Maar wat is het geval? In die dagen waren deze herders weg gegroeid van hun volk. Godsdienst en ingewikkelde wetsonderhouding waren sterk aan elkaar gekoppeld. Voor de gewone mensen was dat soort godsdienst moeilijk te beoefenen. Ze waren ongeletterd en uitgebuit door de bezetter. Bovendien keken de priesters op hen neer. En evengoed de wetgeleerden: “Dat verdoemde volk, dat de wet niet kent!” En de gewone mensen… die voelden die stiekeme blikken wel, die schuldigverklaringen en gingen hen maar liever uit de weg. Het was toch nooit goed. In zo’n klimaat van veroordeling en zonde kan een echte godsverering niet gedijen.
Jezus heeft maar één zorg gehad: wat ik nu ga beginnen in jullie twaalf is een nieuw Godsvolk. Jullie zullen de stamvaders worden van twaalf nieuwe stammen, en dat is de hele kerk. En als ik jullie uitzend, als ik tegen jullie zeg: verkondigt het Koninkrijk Gods en verkondig dat niet met woorden, maar metterdaad door zieken te genezen, doden op te wekken, melaatsen te reinigen, dan wil dat zeggen dat ik het hele volk uitzend. Al degenen die bij jullie horen zullen samen dat nieuwe Godsvolk vormen. Ieder zal daarin op zijn manier verantwoordelijkheid moeten dragen, verantwoordelijkheid voor het genezen van zieken, voor het opwekken van doden, voor het reinigen van melaatsen en voor het uitdrijven van duivels.
De ergste ziekte is de ziekte van het isolement, van het niemand meer hebben tegenover wie je je hart kunt uitstorten, niemand meer die met jou jouw zorgen kan dragen, niemand die een stukje onzekerheid met jou wil torsen, niemand meer die je ziet staan. Wat is dood in feite anders dan afgesloten zijn, dan niet meer betrokken zijn bij de dingen? Melaatsheid is niets anders dan uitgestoten zijn uit de gemeenschap, moeten leven op dorre en doodse plaatsen, aan jezelf overgelaten en aan het ‘goede geluk'.
Misschien is dat wel de ziekte van onze tijd, dat we geen tijd hebben, dat we ons teveel zorgen maken over de buitenkant, maar vergeten waar het in wezen om gaat: om mens voor elkaar te zijn, broer en zus…