Toen ik de verhalen rond Jezus Christus pas leerde kennen, voelde ik me vaak gepasseerd. Hij nam het op voor zondaars, voor zieken, voor overspelige vrouwen. Kortom, Hij hielp mensen met bijzondere problemen. En ik was maar een gewoon meisje. Probeerde mijn best te doen op school, luisterde redelijk naar mijn ouders, had normale toekomstdromen en een gewone vriendenkring. Ik had geen grote wandaden op mijn geweten. Aan mij was dus helemaal niets dat voor Jezus interessant kon zijn. Ik dacht: ‘Al dat genezen heeft met mij niets te maken. Mij wilt Hij niet.’
Maar ik ga nu ook al naar de veertig toe en begin mezelf wat beter te kennen. Ik ondervond hoe kwetsbaar ik ben, hoe kwetsbaar iedereen eigenlijk is. Het viel me op dat ik grenzen heb. Mijn goede bedoelingen en concrete daden zijn beperkt, soms komt er niet veel van wat ik me voorgenomen had. Ik maak fouten en schiet te kort. Tegenover mijn eigen plannen, tegenover wat had kunnen zijn. Ik probeer mijn weg in het leven te vinden, maar ondervind dat ik dat stuntelend en met omwegen doe.
Als God me niet welwillend en met genade wilt opvangen, dan slaat de balans van mijn leven niet schitterend uit. Ik heb Hem nodig om mijn niet-volmaakte leven goed te vinden. Hoezeer ik ook mijn best doe, ik kan mijn leven niet zelf rechtvaardigen, ik kan het niet het etiket ‘prima’ geven. Daar heb ik een liefhebbende God voor nodig.
Jezus roept een tollenaar. Eet met zondaars. Voor hen is Hij gekomen, zegt Hij, voor degenen die een welwillende God nodig hebben. Hij verwijt de Farizeeën vooral hun misplaatste arrogantie. Zij zouden niemand nodig hebben; geen mensen, geen God, ze voelen zich nu al perfect. Jezus kwam voor alle zondaars, voor al diegenen die beseffen dat, hoe goed ze het ook doen, ze ook altijd hun fouten hebben. Ik weet nu dat Hij ook voor mij kwam.
Ook voor mij? (2002)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 10e zondag · groen