Misschien kunt u zich nog wel dat televisie-reclamespotje herinneren
van een verzekeringsmaatschappij. Locatie: een attractiepark in een
Amerikaanse stad. Achter het loket zit een jongeman kaartjes
te verkopen voor de botsautootjes. Zo te zien vindt hij dat geen
opwindende bezigheid. Hij lacht minzaam, maar met fletse ogen naar een
moeder die met haar dochtertje kaartjes komt kopen. Dan is het
of zijn ogen ineens het licht zien, en even later zie je hem met zo’n
botsautootje door de drukke straten van die Amerikaanse stad scheuren,
lange neuzen trekkend tegen politieagenten. Hij is
helemaal in zijn element.
Toen ik het volledige evangelie van
vandaag een paar keer had gelezen en de rol van Matteüs op mij
probeerde te laten inwerken, moest ik denken aan dat spotje. Ik stelde
mij namelijk voor dat
Matteüs als tollenaar ook achter zo’n loket zat, en hij liet ook in één
keer alles achter zich; ging er vandoor om een boeiender leven te
beginnen. Misschien had Jezus wel voorkeur
voor zulk soort mensen, voor mensen die bereid zijn te breken met het
leven dat zei leiden, wat dat dan ook voor leven is: een lucratieve
baan, zoals Mattheüs of zo’n saai routinebaantje als van
die lokettist in dat Amerikaanse attractiepark.
Over Jezus'
voorkeuren kun je je wel vaker verwonderen. De criteria die Hij aanlegt
bij het aantrekken van zijn medewerkers, doen de haren van veel mensen
recht overeind staan.
Kijk maar naar die Matteüs. Het evangelie begon zojuist met het verhaal
over zijn roeping. Vermoedelijk is de evangelist Matteüs ook de
tollenaar Matteüs ‘in zijn jonge jaren’. Je zou
het dus een autobiografie kunnen noemen, maar dan wel en
mini-autobiografie. Want dat hele roepingsverhaal bestaat uit slechts
twee zinnen: ‘Jezus zag iemand aan het tolhuis zitten die Mattheüs
heette, en Hij zei tot hem: “Volg Mij”. De man stond op en volgde hem’.
Vierentwintig woorden voor een heel roepingsverhaal. Misschien ging het
ook wel zo vlug. Of hij vertelt ons alleen maar het einde van een lang
proces. Wie weet had Mattheüs allang de buik vol
van dat leventje van hem. Financieel had hij niets te klagen, dat niet,
daarvoor was hij veel te gewiekst.
Hij had de tolplaats voor een redelijke prijs gepacht, en zijn eigen
inkomen berekende hij eenvoudigweg gewoon door aan de belastingbetaler.
Nee, wat de centen betrof had hij niets te klagen; hij
hoorde bij de rijken en de notabelen van de stad. Maar hij was arm aan
vrienden. De mensen keken hem veelal met de nek aan. Geen wonder, want
ze voelden zich door hem afgezet.
En dan was hij uiteindelijk ook nog in dienst van de Romeinse machthebber, en ook dat werd hem niet in dank afgenomen.
Wie weet was Matteüs dat leventje allang beu, en kwam Jezus op het
juiste moment langs. Misschien had Jezus al eerder opgemerkt hoe
lusteloos Matteüs achter het loket zat, hoe hij met een
ongeïnteresseerd gebaar het geld opstreek. Financieel gezegend, sociaal
verkommerd, wat een armetierig bestaan! Er zit veel meer in die man,
wat jammer dat hij zijn ware rijkdommen niet aan bod
laat komen!
En dan spreekt Jezus het verlossende woord: “Volg
Mij”. De man stond op ‘zo schrijft Matteüs zelf’, ’en volgde Hem’. En
toen begon voor hem de navolging van Christus. Maar eerst nodigde hij
Jezus en zijn leerlingen uit voor een maaltijd in zijn huis. Daarbij
inviteerde Matteüs ook zijn collega’s en zijn vrienden. Dat scheelde
hem een apart afscheidsdiner; dan was je er maar vanaf!
Wat zal me dat een mooi gezelschap gewest zijn, daar in Kafarnaüm!
Tijdens de Europese Voetbalkampioenschappen in 2000 las ik dat woord
capharnaüm een keer in een Franse krant. Dat sloeg op een Nederlandse
televizieuitzending, die toen dagelijks, met wisselend
publiek en veel improvisatie in de openlucht werd opgenomen op een
camping op de Veluwe. Wat heeft dat nu met Kafarnaüm te maken, dacht
ik. Mijn woordenboek bracht uitkomst:
un capharnaüm betekent: Een bende, een rommeltje, een ongeregeld
zootje. Dat klopte voor dat Nederlandse televisieprogramma in het jaar
2000; dat klopte, denk ik, ook voor het gezelschap dat op
uitnodiging van Matteüs tweeduizend jaar geleden in Kafarnaüm bijeen
was: Rabbi Jezus van Nazaret, een groep leerlingen van Hem, een
tolbeambte die zojuist ontslag genomen heeft, zijn
collega’s en dan nog een aantal mensen die worden aangeduid met het
verzamelwoord ‘zondaars’. Alles bij elkaar een echt zootje ongeregeld,
dat mag je wel zeggen!
De goegemeente spreekt er dan ook schande van. De farizeeën maken zich
tot spreekbuis van het weldenkende deel van de bevolking. Ze klampen de
leerlingen van Jezus aan en zeggen: “Waarom eet uw
meester met tollenaars en zondaars?” En dan spreekt Jezus de vermaarde
woorden:
“Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieke wel”. En zich
beroepend op een vers dat we in de eerste lezing hoorden bij de profeet
Hosea, een vers dat de farizeeën beslist
óók kenden, vervolgt Jezus: “Ga heen, u moet maar eens leren wat dit
zeggen wil: Barmhartigheid wil ik, en geen offers”.
Bedoelt Jezus daarmee dat de farizeeën en hun gelijken gezond zijn, en
dat het zootje ongeregeld rondom Hem in het huis van Matteüs ziek is?
Dat de farizeeën de goeden zijn, en de
tollenaars en zo de slechten? Dat kunnen we toch niet met goed fatsoen
aannemen.
Misschien bedoelde Jezus wel dit: De mens die denkt dat hij gezond is,
heeft geen dokter nodig; hij zal geen advies van een arts vragen, en
ongevraagde adviezen voor zijn gezondheid in de wind
slaan. De mens die meent dat hij deugt, dat hij goed is, heeft geen
hulp nodig. Adviezen in de richting van verbetering of correctie legt
hij naast zich neer. Daar heeft hij geen boodschap aan.
Mensen die zo zeker zijn van hun morele superioriteit, daarop ketsen
alle uitnodigingen van Jezus af. Als je zo ‘ongeneeslijk gezond’
bent,heb je Jezus niet nodig; heb je geen plaats voor Hem.
Misschien zei Jezus daarom tot die verontwaardigde farizeeën wel:
“Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieke wel”.
Misschien voelde Jezus zich in dat capharnaüm, tussen dat zootje
ongeregeld, zo goed thuis omdat hij daar mensen tegenkwam die open
stonden voor zijn uitdaging: “Volg MIJ”.
Misschien liep Hij daar de meeste kans om mensen tegen te komen zoals
die lokettist in dat Amerikaanse attractiepark: Sympathiek ogend, maar
duidelijk ontevreden met zijn situatie, vol ongebruikte
energie, bereid om op te staan en iets beters te beginnen. Misschien
gaat Jezus’ voorkeur uit naar mensen als Matteüs: De buik vol van zijn
baan, die wel lucratief is, maar waarmee je je krediet
bij de mensen verspeelt. Misschien zoekt Jezus het gezelschap van de
mensen aan de rand van de samenleving juist wel omdat die zo drommels
goed weten wat ze missen. De farizeeën zullen de meeste
gasten van Matteüs tot de zieken hebben gerekend. Ze vonden zichzelf
gezond.
Maar wat heet gezond?
Wat heet gezond? (2002)
A-cyclus · Tijd door het jaar · 10e zondag · groen