Op de vooravond van Kerstmis worden ons geloof en onze hoop een laatste keer gestimuleerd. Wachtend op de geboorte van het Kind, in wie we de Messias zullen leren herkennen, hebben we dat wel nodig. Goddelijke hulp hebben we nodig om God-met-ons, Immanuël, te ontvangen.
Over Immanuël gaat het in de eerste lezing. Koning Achaz heeft geen groot geloof. Hij wordt bedreigd door zijn vijanden, door zijn buren Syrië en Israël. Als kleine koning van Juda zoekt hij bescherming bij de grootmacht Assyrië. Hij vindt zich veiliger bij een grote koning dan bij Jahwe, de God van zijn vaderen, die zijn volk altijd heeft beschermd. Onder de hachelijke dreiging van de oorlog gaat de profeet Jesaja naar hem toe en zegt hem een teken te vragen dat God hem ook nu weer zal beschermen. Maar Achaz wil er niet op ingaan. Hij wil zeker spelen en houdt het bij zijn besluit zich onder de bescherming van Assyrië te stellen. Aan de profeet vertelt hij dat hij God niet op de proef wil stellen. Zo verbergt hij zijn gebrek aan geloof.
God laat door Jesaja weten dat Hij dat niet neemt. Hij zal zelf koning Achaz een teken geven als die geen teken van bescherming wil vragen. Maar uit straf zal het een slecht teken zijn, zoals de Bijbel zegt, een teken van onheil. Een vrouw zal haar kind nog Immanuël noemen, maar God zal niet meer met zijn volk zijn. Assyrië zal op korte tijd eerst de vijanden van Juda en dan Juda zelf bliksemsnel onder de voet lopen. Omwille van de kleinhartigheid van koning Achaz zullen Juda en Jeruzalem zware tijden kennen, oorlog, verwoesting en vreemde dictatuur: Jahwe zal zich niet tonen, zal niet tussenkomen, Hij zal zijn aangezicht voor lange tijd verbergen.
Voor lange tijd, maar niet voor goed. Een Immanuël zou geboren worden die werkelijk God-met-ons zou zijn.
Maria heeft de boodschap van de engel geloofd en Jozef, de zoon van David, heeft geloofd wat hem door de engel in een droom werd gezegd. Het grote plan van God om zijn volk te verlossen zou beginnen bij het geloof van die twee mensen, van Maria en van Jozef uit het geslacht van David. De eeuwenoude joodse hoop en verwachting zouden vervuld worden door het fiat van Maria en door de beaming hiervan door Jozef. God zou beginnen leven als een mens, als kind ontvangen worden door een vrouw, als kind erkend worden door een man, als knaap opgroeien in een dorp, als jongen zijn vrijheid leren en als man eraan ten onder gaan.
Wat hebben Maria en Jozef hiervan begrepen? Wat heeft Nazaret er ooit van begrepen? En koning Achaz van Jeruzalem, die dacht door zijn bondgenootschap met Assyrië het Davidshuis en het volk te redden, wat heeft hij ooit begrepen van Gods bedoelingen met het volk waarover hij was aangesteld? Wat begrijpen wij van Gods bedoelingen met ons en met onze tijd?
Eén ding begrijpen wij zeker, met koning Achaz en met Maria en Jozef en met Nazaret en Poelkapelle: God heeft de geschiedenis in handen, de grote mensengeschiedenis en de kleine geschiedenis van elke mens. Hij geeft ons regelmatig een teken, in een kind, in een droom, in het woord van een geestelijk mens, van een priester, van een profeet. Gaan we op dit eerste teken in, dan geeft Hij er een tweede en een derde, tot zijn Geest ons helemaal overschaduwt, en tot die schaduw ons beschermt tegen de hitte van elk van onze dagen.
Volstaat dat niet opdat Gods liefde in de komende kerstweken weer heel menselijk zou kunnen worden? Opdat Hij zijn geschiedenis onder ons ook weer met ons zou kunnen verder zetten? Opdat wij weer zouden kunnen leven en aan velen weer de zin van het leven doorgeven? Voor wie zegt geen teken te zien van Gods geschiedenis onder de mensen, voor wie denkt dat God in zijn hemel blijft terwijl de mensen zonder Hem leven en sterven, vooral voor wie niet kan geloven dat God zelfs met hem bezig is, is het nodig met Kerstmis een teken te vragen. Voor alle anderen is het nodig een teken te zijn…
4e zondag van de advent
A-cyclus · Advent · 4e zondag van de Advent · paars